De ontdekking van het oneindige Toen ik jong was, dacht ik dat zeeverkenners zevenkenners waren. Ik kende zeven al toen ik zes was. De zee en ik kenden elkaar al jaren.

Toen ik een jaar of tien was, zat ik buiten op de prullenbak omhoog te staren naar de sterren. Ik dacht aan wat er is, als het heelal eindigt. Dat er daarna ‘niks’ zou moeten zijn, maar dat dat niet kan. Sindsdien neem ik niks meer serieus.

Ik heb nooit gedacht dat melk van de melkboer kwam. Wel is m’n melkbeker in de brugklas open gegaan in mijn tas. Het hele jaar zure boeken. Het was verschrikkelijk. Dat melk voor kalfjes is, leerde ik toen niet. Die pagina’s zaten zeker aan elkaar geplakt.

Rond mijn twintigste ontdekte ik dat augurken in zuur bewaarde komkommers zijn. Tegenwoordig bewaar ik jalapeño’s en bosui in azijn. Die heten daarna hetzelfde.

Met de jongen van de bakker sprak ik altijd over voetbal en het leven. Dat hij soms niet meer wist waar we het vorige keer over hadden, was wat vreemd. Pas na een tijd ontdekte ik waarom. Er waren twee verschillende bakkersjongens.

Gister ontdekte ik dat Angelique en Jacqueline niet dezelfde naam is. Op zich wist ik dat best, maar ik vond zo’n vergissing wel gezellig. Dingen niet weten is oneindig. Dat kan ik niet vaak genoeg vergeten.

twien