Een doordeweekse zaterdagavond Het is een doordeweekse zaterdagavond en ik wil nog wat actie. In een loods in de buurt zijn mensen gezellig keta aan het gebruiken en op Beyoncé aan het dansen, net als gister en vorige week, dus ik kies voor Cheers. Daar schijnt Woody achter de bar te staan, maar als ik aankom, is hij al weg en verder kent niemand daar mijn naam.

Ik besluit verder door de lauwe regen en de wind door de stad te lopen. Best relaxt. Alleen mijn jas glijdt steeds van mijn linker schouder. Frappant. Laatst merkte ik dat ook met een rugzak die ik daarom bijna heb weggegooid. Zou ik afwijkende schouders hebben? Merk ik dat nu pas? Ik ben godverdomme over de 40 en merk nu pas dat ik ongelijke schouders heb? Of is dat misschien iets nieuws? Ouderdomskwalen merk ik alleen nog maar nuchter.

“Where i am from?” antwoord een langzaam meisje met een Frans accent in de buurt van een aantal café's aan een jongen, die dat eigenlijk niet echt wil weten: “I live in Chartres”. Ze spreekt de stad charmant en voor de helft uit, zoals dat hoort in correct Frans. Het klonk iets tè correct eigenlijk. Een paar stappen verder ligt een oker plakaatje nostalgie net niet vloeibaar op de straat, die iemand een abrupt einde van de stapavond heeft bezorgd en toen wist ik het: het Franse meisje sprak eigenlijk alsof ze nog nooit goed had gekotst.

Buiten de bioscoop die op een parkeergarage lijkt, zie ik een trap waarop een filmpje is te zien die blijft hangen op een afbeelding van een dolfijnig beest. De halve straat is er blauw van. Op de tweede tree van boven zijn twee bierflesjes gezellig geweest maar nu net zo nuchter als ik.

Een jongen met een tatoeage van een handgeschreven naam van een onleesbare dochter in zijn nek, loopt naast een mooi meisje met verzorgde vlechtjes. Sommige zijn blauw, andere zijn wit. De meeste zijn zwart. Zij is bruin. De jongen, een beetje flets blauw van kleur, zegt: “Sommige mensen zeggen blank enzo, maar daar houd ik niet van.” Hij maakt er een onbestemd gebaar bij met zijn hand waarin hij een sigaret vastheeft die niet brand. “Ooooh”, zegt het meisje zonder een duidelijke emotie. Een lange stilte volgt. Het fastfood bedrijf met kip waar ze langslopen is dicht en de corona dranghekken ervoor met reclame erop met woorden die zijn omgevallen interesseren niemand.

De hoerenstraat waar ik naast woon is nog vrij levendig als ik thuis kom. Ook Johan staat er weer. Johan is een oudere junk, die daar al jaren staat, hij wordt daar nooit weggestuurd namelijk, maar sinds de corona heb ik ‘m nog niet gezien. Vaak neuriet hij een vriendelijk deuntje als hij uren lang onder mijn raam ijsbeert, waar een vriendin van mij stapel gek van werd. “Kan je ief miffe?”, is zijn standaard bedeltekst. Ik gaf hem een keertje een stuk stokbrood, maar daar kon hij niks mee want hij heeft geen tanden. Een banaan geef ik ‘m soms. Of een flesje water. En een paar keer een blik soep. Nu staart hij dwars door me heen en hangt zijn tong half uit zijn mond.

Vlak voor ik binnen ben, fotografeer ik de uitpuilende prullenbak, waarom weet ik niet. Ernaast en erin ligt het vol met frisdrank flesjes, blikjes vloeibare kauwgum en een plastic bakje met whiskysaus zonder lekkerbek. Erbovenop ligt een grote witte handtas met nep goud decoraties en simulaties van een vast wel beroemd merk.

Als ik al binnen sta, komt een grote jongen die ik net muntgeld zag tellen naar me toe en vraagt vrij luid om een euro. “Meneer heeft u een euro voor brood?!”. Hij knikt in de richting van een gesloten winkel die geen brood verkoopt. “Nee, sorry heb ik niet”, zeg ik. “Een euro, een euro!”, zegt ie. “Heb ik niet, heb ik niet”, zeg ik terwijl ik hem aan kijk met zo veel mogelijk vraagtekens boven mijn wenkbrauwen en doe de deur dicht.

Ik kijk nog even in de spiegel. Doorzichtige wenkbrauwen. Gelijke schouders.

© twien