Europacup Ik ben aan het rennen. Hard. De bal is mijn richting opgeschoten. Met weinig overtuiging. Het lijkt kansloos. Toch ga ik ervoor. De tegenstander is langzaam, maar dichter bij de bal. Misschien met een sliding. De zon in z’n ogen geeft me een kans. Ik moet het proberen.

Daar ren ik dan, over het gras. Applaudisserende bladeren van het populieren publiek. De tegenstander…Het is een kínd?! Een kind van vijf! Aan het ballen in het park met zijn ouders. Dit is waanzin, waar ben ik mee bezig!? Wat moet ik doen? Ik ren te hard. Het kind staat nu stil. Bang. Ik zal er eerder zijn, want ik… Geen idee waarom, ik ben nog steeds aan het rennen! Wat moet ik met die bal, steeds dichterbij? Een stiftje op maat? Buitenkant rechts het bos uit? Daarna op mijn achterhoofd krabbend weglopen? Ik ga te hard. Geen weg terug. Ik wil dit niet, maar ben er bijna. Dit slaat nergens op!

Dán weet ik het. Keihard ren ik voorbij de bal, voorbij het kind, voorbij de ouders. Het gezin als bevroren. Ik ren door en door, tot het gras ophoud. Er is een sloot. Ik besluit meteen en spring erin. Een lompe plons. Het is goed.

De eendjes schieten weg, waterkroos in mijn nek, nat en voldaan. Een reiger vliegt op, zodat het lijkt alsof ik van gedaante ben veranderd.

twien