twien

brokjes wereld

Barry Kalende Barry staat in de hoerenstraat. Het lijkt of zijn bovenlijf in een daar toevallig staand paar benen is gehangen. Handen in z’n zak. ’t Is ’s ochtends vroeg. Gordijntjes zijn nog dicht. De schreeuwende schoonmaakster is net klaar. Er lopen wat aannemers in het Haags over logistiek te praten.

Barry staat met zijn tuitige mond hard aan zijn sjekkie te zuigen. Aan de telefoon doet-ie wat zaakies. ‘Ja’, zegt-ie. ‘Ja’, ‘ja’, ‘nee’ en ‘jaja’, zegt-ie. Hij loopt in een paar stappen een rondje en staat weer stil waar hij begon. Z’n buik denkt, ‘hè, zijn we hier nu wéér?’

Staat-ie dan met z’n te blauwe spijkerbroek. Zijn zwarte fleecejack is zichtbaar te koud. Hij schudt nee naar niemand. Vroeger zou z’n matje vettig hebben mee geschud.

Hij loopt de straat uit, maar terwijl hij opvallend aan zijn reet trekt, keert hij weer om. Hij sloft op de zijkanten van zijn voeten tijdens het wachten.

Nu leunt hij tegen een lantarenpaal, nonchalant één been over het ander. Nog een sjekkie diep richting zijn huig. Wolkjes van de kou en van z’n peuk zijn inwisselbaar. Als er straks een gordijntje opengaat, is Barry d’r als de kippen bij.

twien

Min of meer Zee. Ooit zwom ik in de zee een aantal meter van een zeehond vandaan. Of eerder andersom, ik lag daar maar wat. Nu zie ik twee ijsberen in de branding, maar dat blijken golden retrievers.

Zeemeerman. Ik spring vaak in zee, vooral met goed weer. Het liefst met dikke golven. Zeemeerman noemde iemand me ooit. Een maffe specificatie. Het klinkt als een vreemd beroep.

Meermin. ‘Min’ is afgeleid van man, dat oorspronkelijk mens betekende en in dit geval vrouw. En ‘minnen’ is liefhebben. ‘Meerminnen zouden mannen, die verliefd op hen werden, in het verderf storten’.

Meer. ‘Meer’ was vroeger het woord voor zee. Zoals in het Duits nog steeds en in andere talen min of meer, zoals mar en mer. Vroeger was er waarschijnlijk gewoon één woord voor ‘veel water’. Hoe zoet zout was deed er vast niet toe.

Nog meer. Nog meer taal. Er is op een van de eilanden van de Filippijnen een meer dat Taal heet. In dit meer ligt een vulkanisch eiland. En op dat eiland is een vulkanisch meer. Een meer op een eiland in een meer op een eiland in de zee! Wat wil je nog meer!?

twien

Gordeldraakje Een draakje heeft de rechterkant van mijn hoofd overgenomen en probeert eruit te komen. Mijn hoofdhuid voelt aan alsof het niet van mij is, een soort verbrand. Het draakje spuwt vuur.

Momenteel duwt hij tegen de rechterachterkant van binnenuit mijn hersenpan. Een deel van mijn kin is verdoofd. Vanmorgen werd ik wakker toen hij met iets scherps vanuit mijn oor naar buiten wilde prikken.

Er begonnen bulten te groeien waar het draakje met de kartels op zijn rug doorheen probeerde te duwen. In een gordel van naast mijn tranende oog, via mijn slaap achter mijn oor langs, terug over mijn kin tot op m’n lip.

Met scherpe klauwen probeert hij zich een weg ergens door mijn schedel naar buiten te banen. Als ik iets eet, dan lijkt hij via mijn kaak te willen ontsnappen.

Soms is ie rustig op stukjes van de binnenkant van mijn hoofd aan het kauwen. Soms kruipt ie tegen mijn nekspier aan om er een dutje te doen. Ik word er moe van, maar als ik mijn hoofd steun wordt dat venijnig afgestraft.

Ik wil geen dieren in mijn hoofd. Er zou een klein moedig riddertje naar binnen moeten gaan.

Ik onderdruk het beest nu al een week of drie en hij lijkt eindelijk verzwakt. Hij suddert nog wat na. Ik hoop dat het draakje spoedig het loodje legt.

twien

Spring levend Een meisje is met haar vriendje op vakantie in Kroatië. Ze filmt hem steeds als hij van een hoge klif in het water springt. Veel slow motion. Zelf heeft ze hoogtevrees, schrijft ze me.

Ooit in Curaçao sprong ik van een klif in het water. Drie, vier verdiepingen hoog. We zaten in een restaurantje naast waar jongens en meisjes naar beneden sprongen. Mijn vriendinnetje toen, een lieve sekreet, wilde ook. Ik vond het maar niks, die hoogte, maar sprong met haar mee.

Een sprong dwars door elke angst voor vallen heen. Supersnel ging de zwaartekracht langzamer dan ik dacht. En na door het plompe blauw te zijn afgeremd, zweefden we samen op de zee. Ik probeer iets poëtisch, ik wil het meisje in Kroatië laten weten dat ik er geen spijt van had.

Ze is bang dat als ze dit durft, dat ze eerder geneigd is van een gebouw te springen, als ze weer eens depressief zou zijn. Je kan zelfmoord niet oefenen. Bovendien, het water is natuurlijk onderdeel van het verhaal. Onder water begint een nieuw leven. Onder water kom je weer op adem nadat je de val hebt overleefd. Dat kan niet als je op een parkeerplaats springt. Dat is supersaai.

twien

Corpocentrisme ‘Oh shit! Arie! Wat nu weer’. Een vriendin stuurt me weer een filmpje van spierpersoonlijkheid Arie Boomsma. Ik waag weer over hem te schrijven, ondanks dat de ware Arie niet te overtreffen valt.

Arie vertelt, vrolijk als altijd, lounge muziekje op de achtergrond, met ontbloot bovenlichaam, wat je kan doen als je op vakantie je ‘conditieapparaat’ niet bij je hebt: ‘Wat je vást wel kan vinden, is een glijbaan en een paar sokken’. Daarna zie je Arie met grote witte sportsokken hard in een glijbaan naar boven rennen. Elke stap naar boven glijdt hij even hard naar beneden in de groene plastic kinderglijbaan. Met zijn grote lichaam en zijn petje achterstevoren is hij best een enge reuze kleuter.

‘Ik denk dat je serieus de speeltuin uitgegooid wordt als je zoiets doet, echt gestoord’, schrijft die vriendin. ‘Je kunt ook gewoon gaan rennen, Arie!’, reageert een andere lachend. Arie is een zender die negativiteit geen kans geeft. Hij is vast positief belerend als iemand in zijn buurt de stem verheft.

‘Het corpocentrisme van de Arie Boomsma’s van de wereld heeft iets engs’, lees ik in een column van een huisarts in een krant. ‘De obsessie met en verheerlijking van het eigen lichaam staat lijnrecht tegenover het idee dat gezondheid vooral een groot geluk is. Veel mensen hebben urgentere zorgen dan lichaamsoptimalisatie’.

Gelukkig heb ik m’n inner Arie al een tijdje losgelaten. Ik neem nog wat medicijnen en val lachend in slaap.

twien

Verticale horizon De horizon loopt verticaal door mijn gezichtsveld. Kleurvlakken vormen een soort vlag. Rechts hemelsblauw, in het midden zeegroen, links zandgeel met een terracotta blote wandelaar. Hij lijkt te worden geprikt door het felgroene helmgras wat op de voorgrond heen en weer wiebelt in de wind. Ik lig met een hoedje op op een handdoek die deze week al vier keer is opgedroogd en dat ruik ik. Een duinpan achter me is een proestende vent met een snelle bril en verder niks aan, die ik eerder niet had opgemerkt, gaan staan om zijn omgeving te bekijken. Of, waarschijnlijker, om zichzelf te laten zien. Zulk soort naakte oude mannetjes met de handen in de zij staan hier vaak zichzelf tentoon te stellen. Stokstaartjes noem ik ze. Met bosjes in de duinen turen ze naar elkaar en ik heb het gevoel nu ook naar mij. Na weinig slaap en vroeg in zee, lag ik hier wel prima, maar ik denk dat het nu beter is om weg te gaan. Nu horizontaal neem ik nog even snel een foto en stuur ‘m aan een vriend, als suggestie voor de nieuwe vlag van Nederland. Daarna neem ik de benen.

twien

Die twee mutsen Vrij luid praat ze. ‘Zitten er wéér mensen op ons plekkie’. Ze loopt met een tas vol spullen die aan de onderkant soms het pad schuurt. Ze heeft een witte broek aan die haar voorname billen terecht accentueren. De man met tas, die voor haar loopt in het park op zoek naar dan maar een andere picknickplek, zegt niks. ‘Zijn die twee mutsen eindelijk weg…’ zegt ze bijna schreeuwend, een tikkeltje venijnig, onbewust van haar omgeving. De zachtaardigheid vanwege haar uiterlijk, een lief rond gezichtje met ietwat dikke wangen, wordt heerlijk weerlegd door haar verbale aanwezigheid. Nu staat de man even stil. Volgens mij bewegen z’n wenkbrauwen. Gaat dit te ver? Of moet ie lachen. Hij ziet me naar hen kijken. Hij glimlacht verontschuldigend of juist trots. Zij sjokt nietsvermoedend door. Ik lach zachtjes terug en ben eventjes verliefd.

twien

Een gebronsd joch Bergen met hoge eucalyptusbomen eindigen hier met rotsen in de zee. Vanmorgen werden we er op een leeg strand wakker. Langzaam vaarde een mistige wolk met jezuslicht de andere kant van de baai binnen. Een paar uur later is het bijna witte zand vol met parasollen en onder de arm meegenomen klapstoelen door veelal bejaarde badgasten. We zitten cider te drinken en bekijken mensen beneden waar het strand begint.

Een gebronsd joch van tien staat er naast de douche in zijn blote kont. Zijn moeder doet hem een lichtgevend gele zwembroek aan. Een stukje. Onder zijn knieën wordt ze afgeleid door iets in haar tas. De broek blijft waar ie is terwijl de jongen wat praat tegen een paar jongere kinderen, de handen in de zij. De moeder gaat door met het omhoog hijsen. Het gaat stroef. De jongen draait en leunt wat. Er komt een tweede vrouw en samen trekken ze broek volledig op.

Hij zal enig kind zijn, zegt een van ons.

De broek aanhebben, achter de broek zitten, pak op z’n broek, het in je broek doen. Als ik van de aanmaakblokjesgeneratie ben, hoe zal de zijne dan heten.

twien

Jochems en Mauricen Een aantal Jochems en Mauricen drukten fronsend hun gezicht naar achter in hun dikke nek. Smakkende geluiden gepaard met stroef gehinnik als een uiting van hun humor. Een vriend van toen was grappig eigenzinnig in de klas en had soms een snotneus. Hij had bovendien rood haar dus noemden ze hem kneus om stoer te lijken.

Jochems en Mauricen hadden snelle brommers met vies kabaal dwars door alle puistjes heen. Ze droegen glimmende trainingspakken en hadden lange stekels in hun gel. En later vettig haar als duistere gordijntjes langs hun slaap. Ze hadden het over brommeronderdelen zoals spruitstuk en carburateur.

De meeste jongens zweetten toen teveel om andermans gepuber door te hebben. Ze zagen wel de nieuwe vrouwenvormen waar meisjes mee leerden leven. Op schoolavonden met chips en cola werd afstandelijk en houterig gedanst. Beleefdheden als camouflage, maar dichtbij genoeg om voor het eerst een echt meisje te ruiken. Vele Jochems en Mauricen bleven samen zitten snurken aan de jongenskant.

twien

Glücklich “Sieht aus wie Spanien!”, zegt een scherpe vrouw met volle teugen op de fiets, door zon overgoten. Ze kijkt zalig over de glooiende groengele duinen bij Duindorp. “Auch so viel Deutsche Leute wie in Spanien!?”, wil ik haar toeschreeuwen. Het stikt hier van de Germanen. Een neefje appte eerder, ‘Je kunt veel zeggen over de Joden, maar de Duitsers waren ook geen lieverdjes.’ Ik bedenk dat ik de vrouw een geluksmoment zou ontnemen. Glücklich halt ich mein Kopf een keertje.

twien