twien

brokjes wereld

Jeronimo Ik zit op een bankje op een heuvel niet van het uitzicht te genieten: op m'n telefoon ben ik iets aan het lezen over het dierenrijk. Of eigenlijk over taal. Mensen over de hele wereld schijnen, om dieren weg te jagen, in vrijwel elke taal een sis klank te laten horen. Kiessjt of ssjhhs of zoiets. Dat werkt. Vooral bij kippen.

Er landt een klein vliegje met een wespenstreepjesmotief op m'n schermpje. Zou het de gele knotsprietbladwesp zijn? Het kan me geen reet schelen eigenlijk.

Ik tekende vroeger stipjes. Ik bedoel streepjes. Ik bedoel stripjes. In elk plaatje vloog een vlieg. Een dikke strontvlieg. Ogen half open, quasi nonchalant. Bladvulling. Hij vloog er gewoon. Met streepjes erachter om aan te geven hoe zacht hij vloog. Hij heette Jeronimo. Jeronimo de Kankervlieg. Veel te veel naam voor wat ie deed. Had ook nooit echt wat met het verhaal te maken. Net als nu eigenlijk.

Om een beest te lokken schijnt een herhalende klank wel te werken. Poes poes poes. Of poeoehoeoes.

'Dag klein kutvliegje', zeg ik tegen het vliegje op mijn scherm. Het vliegje is met zijn voorpoten zijn snuit aan het wassen. ‘O dag hoor’, zegt het vliegje, ‘ik zit hier even razend snel te wassen althans voor jou is het razend snel ik leef wat korter dus ik moet alles in een korter tijdsbestek doen dus voor mij is dit normale snelheid nou ik ga weer dus doei doei‘. Geen interpunctie niks, weg beest. Volgens mij wil ik geen fabels schrijven, denk ik te laat. Shhit.

© twien

Marter Ik loop weer eens met Lange Wandelaar in het bos bij de duinen. Lange Wandelaar weet veel van de natuur. Dat is leuk. Leerzaam. We eten wat lijsterbesjes. Die blijken behoorlijk bitter. Best goor. Hij vertelt een verhaal over marters. Marters behoren tot de marterachtigen. Net als bunzingen, hermelijnen, dassen, wezels, otters...dat volk. Agressieve roofdieren zijn het. Nog nooit gezien, marters. Lange Wandelaar ook niet. Heel veel in dit bos. ‘Vier’ zegt Lange Wandelaar. Ik begrijp niet wat ie bedoelt. Ik zat even aan de tieten van een actrice te denken. Kijk, een vogel! Vier? Vier is toch niet veel? Best groot, dit bos. Schijnt dat beest dus enorme territoriumdrang te hebben. Het mannetje dan. Vier mannetjes in het hele bos. Maar wel allemaal 4 of 5 vrouwtjes. Dat wel. Machootjes. Verderop ineens gekraak. Een dier!? We stoppen met lopen en ik tuur naar het geluid, richting een boom in de verte. De boom doet verder niks. Tja, boom. Lange wandelaar fluistert: ‘Iets verderop op het pad ligt een vrouw op de grond iets af te vegen terwijl ze aan de telefoon is.’ Wat zegt ie nou? Ik blijf maar naar die boom kijken terwijl er allerlei rare gedachtes door mijn hoofd gaan. Dan kijk ik op het pad en zie inderdaad een fors formaat vrouw op de grond. Als we langs haar lopen en ze inmiddels is opgestaan, zeggen we vriendelijk gedag alsof ze niks aan het afvegen was. Oh niks hoor. Rare vrouw, denk ik gelukkig niet hardop. Om de hoek ziet Lange Wandelaar poep. Poep met besjes erin. We kijken naar de poep en Lange Wandelaar vertelt er wat over. Dan loopt de afvegende vrouw langs. Rare jongens denkt ze niet hardop. De poep bleek later van een marter. De marter blijkt namelijk delen van het jaar veganistisch. We gaan hem nog wel zien. Die ellendeling.

© twien

Wants Met een fikse kater van de Gentse feesten, ondanks dat die niet doorgingen, zit ik in de tuin in de schaduw intensief naar een muur te kijken. Een kevertje land op de achterkant van mijn dijbeen en in een reflex veeg ik hem in het gras. Ik pak 'm op en bekijk 'm. Knal groen met gele en geelbruine details. (De groene schildwants, red.). Hij doet net of ie dood is. Dan knikker ik hem subtiel weg. Met een boogje. Vlak na het passeren van het hoogtepunt van het boogje, pakt hij de draad vliegend op en weg is ie.

© twien

Halskokken (10 april en 23 juli) Zo'n grote zilvermeeuw landt op de stoep met een fiks stuk brood met pizza kleurtjes in z'n bek. Meteen wordt het beest belaagd door een andere meeuw en twee kauwen. Ze zijn er als de kippen bij. Mauwende kokmeeuw. Kauwen kabaal. Dan schrokt ie het stuk in een keer op. Snavel in de lucht. Een vloeiende beweging kun je het niet noemen. Veel heeft te maken met zwaartekracht. En een flexibele strot. Een soort kokhalzen, maar dan andersom. Halskokken.

Het doet me denken aan een ritueel wat een paar vrienden tijdens de borrel met stukken Franse kaas vaak doen: Nog net niet met je duim de keel door duwen en al reikhalzend uitzien naar het volgende. Met grote stukken taart kunnen ze het ook trouwens. Hop, weg! Zakken chips. De klauw constant in de zak. Zoveel mogelijk in de al volle snavel douwen. Secondewerk. Soms zie je nog even een silhouet bij de hals wegglijden. Als je even niet oplet, lijkt het nooit bestaan te hebben. Tanden zijn overschat. Een bord spaghetti is eigenlijk gewoon drinken. 'All you can fijnproeven' is een sport.

Nog even kijken de andere vogels toe of de zilvermeeuw niet ontploft. Dan zou iedereen eten. Maar dan vliegen ze allemaal in één keer zwijgend weg, richting de Maccy D. Fast food gaat over leven.

© twien

Dikke zinnen in een park Twee scholeksters steken hun vuurrode snavels sneller op en neer in het gras dan mijn ogen kunnen bijhouden.

Een vet zwangere vrouw houdt een vies wit lapje met een patroon met heel vaak hetzelfde parasolletje schuin boven haar borsten, waarmee ze een andere, meer vlees geworden baby beschermt tegen de zon.

“San Francisco jives” zegt een verbaasd kijkend lang joch met te veel baard in zijn keel voor zijn blanke tienerhoofd opschepperig tegen het in iets anders geïnteresseerde meisje.

Voetballende kinderen proberen meer kabaal te maken dan een houtzaagmachine met benzinemotor aan de andere kant van het park en verderop staat iemand met een machinegeweer wat landverraders neer te schieten.

Even een zoetsappig wandelingetje in het park dacht ik. ‘Heb ik weer’, zeggen sommigen dan, omdat altijd alles wat hen overkomt precies hen overkomt.

Ik loop een andere kant op, maar stuit daar op een voormalig Joegoslaaf die tegen iemand aan de telefoon schreeuwt dat alles goed gaat en dat hij blij is met zijn werk als bladblazerblazer. Of hoe noem je iemand die met een bladblazer staat te blazen. Daarna blaast hij een jaargetijde te vroeg alle bosgeluiden het verhaaltje uit. Na zijn werk kan de ex slaaf genieten van zijn wel verdiende rust. Dan maakt hij misschien een ommetje in een park waar iemand anders herrie staat te blazen.

Voor een wit-bruine langharige natte hond die vast niks doet hoor, wordt een tak in het water gesmeten die door de derde hond, een grotere bruine pezige, achterna wordt gezwommen en opgehaald met af en toe een snurk. De wit-bruine langharige natte hond reageert: 'WOE!, WOE!, WOE!, WOE!, WOE!, WOE!, WOE!, WOE!, WOE!'. Als de derde hond terug is herhaalt dit tafereel zich te vaak om op te schrijven. Een keer was eigenlijk al te veel.

Twee oudere mensen gaan op een bankje naast me videochatten met Maxime. Maxime is hun kleinkind. Maxime somt wat onbelangrijke dingen op, waarop oma zegt dat hij verwend is. ‘Het is bijna vakantie', 'nog anderhalve dag', 'wat leuk', 'dan kan je genieten van je vakantie.’ Het kind kauwt hoorbaar op wat zoets en brabbelt nog wat door. Opa zit er stoïcijns bij met een kaki broekspijp over de andere, waardoor zijn geruite sokken in zijn bootschoenen goed te zien zijn. De sokken zijn in veel te veel kleuren: bordeaux rood, Pruisisch blauw, mosterdgeel, mosgroen, turquoise en t-mobile roze. 'Nou je mag wel trots zijn op Maxime', zegt oma tegen mama die ook nog even mee chat. Maxime heeft blijkbaar ergens een goeie score mee gehaald en iedereen is overdreven blij. Behalve opa dan. 'Van sperzieboontjes kan je nóg beter leren lezen', liegt oma even later. Het dient als geruststelling nadat bekend is geworden dat er vanavond toch maar geen pannenkoeken worden gegeten. Er wordt nog wel wat herhaald maar dan is het genoeg. 'We gaan hangen'. 'Tot straks', zegt opa nog, maar dat hoort niemand.

Eindelijk is het even stil. Een nijlgans houdt zijn koppetje met rouwranden rond zijn ogen schuin in een hoek van 45 graden en kijkt zo in één keer naar het gras én naar de lucht. Piloten zouden eigenlijk ook ogen aan de zijkant van hun hoofd moeten hebben.

Er komt een ander oud stel waarvan de vent zijn nog oudere, bijna vloeibaar geworden moeder naast me op het bankje wil zetten, waardoor hij mij eigenlijk wegjaagt vanwege 'de anderhalve meter'. Hij had er zelf anders naast moeten gaan staan. 'Ik willu nie verjage', zegt ie nog. 'Is goed hoor', zeg ik, ik schrijf het wel op.

Ik neem nog een foto van een dikke mammoet die op een boom lijkt. Daarna fiets ik zoetsappig naar huis.

© twien

Een doordeweekse zaterdagavond Het is een doordeweekse zaterdagavond en ik wil nog wat actie. In een loods in de buurt zijn mensen gezellig keta aan het gebruiken en op Beyoncé aan het dansen, net als gister en vorige week, dus ik kies voor Cheers. Daar schijnt Woody achter de bar te staan, maar als ik aankom, is hij al weg en verder kent niemand daar mijn naam.

Ik besluit verder door de lauwe regen en de wind door de stad te lopen. Best relaxt. Alleen mijn jas glijdt steeds van mijn linker schouder. Frappant. Laatst merkte ik dat ook met een rugzak die ik daarom bijna heb weggegooid. Zou ik afwijkende schouders hebben? Merk ik dat nu pas? Ik ben godverdomme over de 40 en merk nu pas dat ik ongelijke schouders heb? Of is dat misschien iets nieuws? Ouderdomskwalen merk ik alleen nog maar nuchter.

“Where i am from?” antwoord een langzaam meisje met een Frans accent in de buurt van een aantal café's aan een jongen, die dat eigenlijk niet echt wil weten: “I live in Chartres”. Ze spreekt de stad charmant en voor de helft uit, zoals dat hoort in correct Frans. Het klonk iets tè correct eigenlijk. Een paar stappen verder ligt een oker plakaatje nostalgie net niet vloeibaar op de straat, die iemand een abrupt einde van de stapavond heeft bezorgd en toen wist ik het: het Franse meisje sprak eigenlijk alsof ze nog nooit goed had gekotst.

Buiten de bioscoop die op een parkeergarage lijkt, zie ik een trap waarop een filmpje is te zien die blijft hangen op een afbeelding van een dolfijnig beest. De halve straat is er blauw van. Op de tweede tree van boven zijn twee bierflesjes gezellig geweest maar nu net zo nuchter als ik.

Een jongen met een tatoeage van een handgeschreven naam van een onleesbare dochter in zijn nek, loopt naast een mooi meisje met verzorgde vlechtjes. Sommige zijn blauw, andere zijn wit. De meeste zijn zwart. Zij is bruin. De jongen, een beetje flets blauw van kleur, zegt: “Sommige mensen zeggen blank enzo, maar daar houd ik niet van.” Hij maakt er een onbestemd gebaar bij met zijn hand waarin hij een sigaret vastheeft die niet brand. “Ooooh”, zegt het meisje zonder een duidelijke emotie. Een lange stilte volgt. Het fastfood bedrijf met kip waar ze langslopen is dicht en de corona dranghekken ervoor met reclame erop met woorden die zijn omgevallen interesseren niemand.

De hoerenstraat waar ik naast woon is nog vrij levendig als ik thuis kom. Ook Johan staat er weer. Johan is een oudere junk, die daar al jaren staat, hij wordt daar nooit weggestuurd namelijk, maar sinds de corona heb ik ‘m nog niet gezien. Vaak neuriet hij een vriendelijk deuntje als hij uren lang onder mijn raam ijsbeert, waar een vriendin van mij stapel gek van werd. “Kan je ief miffe?”, is zijn standaard bedeltekst. Ik gaf hem een keertje een stuk stokbrood, maar daar kon hij niks mee want hij heeft geen tanden. Een banaan geef ik ‘m soms. Of een flesje water. En een paar keer een blik soep. Nu staart hij dwars door me heen en hangt zijn tong half uit zijn mond.

Vlak voor ik binnen ben, fotografeer ik de uitpuilende prullenbak, waarom weet ik niet. Ernaast en erin ligt het vol met frisdrank flesjes, blikjes vloeibare kauwgum en een plastic bakje met whiskysaus zonder lekkerbek. Erbovenop ligt een grote witte handtas met nep goud decoraties en simulaties van een vast wel beroemd merk.

Als ik al binnen sta, komt een grote jongen die ik net muntgeld zag tellen naar me toe en vraagt vrij luid om een euro. “Meneer heeft u een euro voor brood?!”. Hij knikt in de richting van een gesloten winkel die geen brood verkoopt. “Nee, sorry heb ik niet”, zeg ik. “Een euro, een euro!”, zegt ie. “Heb ik niet, heb ik niet”, zeg ik terwijl ik hem aan kijk met zo veel mogelijk vraagtekens boven mijn wenkbrauwen en doe de deur dicht.

Ik kijk nog even in de spiegel. Doorzichtige wenkbrauwen. Gelijke schouders.

© twien

Geen tijd voor een pandemie in tijden van een pandemie

8.

16 vrouwen lopen in tweetallen vlak achter elkaar langs de kustlijn vrij hard door elkaar te praten waardoor ik wakker word en weer een beetje begin te schrijven.

Een jongen met een puntig frans achterhoofd heeft pruimen meegenomen voor zijn zalmkleurige vriendinnetje en daar zitten ze samen op te sabbelen.

O ja, die pandemie. Wereldwijd nog niet zo heftig geweest qua doden per dag als nu, maar hier gelooft bijna niemand meer, alsof het een gewone religie zoals het klimaatprobleem is.

Je kan ook weer veilig in een vol vliegtuig het virus naar andere delen van de wereld brengen of afhalen. Als je de komende twee weken ziek wordt, dan moet je dat van te voren even aangeven, zegt een minister met iets andere woorden.

Vliegen is nu minimaal 35 euro geworden, ook de nieuwe minimum prijs voor een hoer in de Doubletstraat.

Het is een mooie zaterdag en ik ga weer eens naar een demonstratietje op het Malieveld, een beetje de mayonaise van m'n pandemie serie.

Bij het kruispunt voor het Malieveld loop ik door het rooie licht als ik zie dat het elk moment groen gaat worden. Achter me hoor ik: ‘Meneer!’. Het blijkt een van de vele politieagenten en hij heeft een zacht Brabants baardje. Ik loop een stap terug als ik merk dat hij het tegen mij heeft, maar dan wordt het groen. 'Ja, nú is het groen', zegt ie alsof de stoplichten een item van Sesamstraat zijn, ‘Niet zo slim als wij er bij zijn’. 'Oh dus ik moet eigenlijk op júllie letten in plaats van het stoplicht' zeg ik verbazend vlot terug. Zacht baardje gaat er serieus op in, waardoor ik moet zeggen dat ik er een grapje van probeerde te maken. 'Dat wilde ik ook', zegt hij een beetje beteuterd terug. Niemand lacht.

In de verte hoor ik een man speechen. Hij vraagt de mensen met hun gezicht op de grond te gaan liggen en iedereen doet dat. De man is boos. Zijn broer is doodgegaan bij een supermarkt in Zwolle, waar hij ook zo op de grond moest gaan liggen. Hij vraagt de mensen solidair te zijn, waardoor ik eerst denk aan een collectieve zelfmoord, maar hij wil dat de mensen die supermarkt boycotten. Op de weg achter het podium rijdt een vrachtwagen van die supermarkt langs.

Aan de rand van het veld ligt een meisje met een paarse bikini op een handdoekje met franjes heel hard bruin te worden achter een vredelievende menigte die boos 'nee is nee' roept en klapt.

'Deze revolutie wil hartjes op Instagram' lees ik van een schrijver wiens ogen tegen zijn bril zijn geplakt. Ik denk aan Scooter van The Muppets Show, een oranje muppet met rood haar, wiens voornaamste special is dat zijn ogen zijn bril zijn.

De demonstratie de dag erna tegen de regels mag niet doorgaan vanwege de regels. Slechts één van de acht demonstranten die aan het begin wordt aangehouden had een zwaard bij zich.

‘Tv Onterecht o ja, dat ken ik wel’, zegt een man met een groot hoofd en basketbal als buik. 'Nee, Tv Onrecht!' zegt de dame die de demonstratie die toch doorgaat streamt op Facebook. Live vanaf de poffertjeskraam is te zien dat het zwart ziet van de mensen. De Darkraver is er ook.

Een vent van een jaar of 50 met een zwart hemdje, een smal zonnebrilletje waardoor het lijkt of hij met een balkje voor zijn ogen loopt, en een hoop tatoeages, of gewoon 1 grote, loopt op een manier waar menig cowboy jaloers op zou zijn.

Een man met een paarse opgeblazen opblaas krokodil op zijn rug loopt langs 9 politiemensen te paard. Doordat verschillende wegen zijn afgezet door de politie is er onrust ontstaan. Ergens roept iemand 'power to de pipo'.

Een meisje tussen wat relschoppers wil bloemen geven aan een ME’er maar die mept haar te zachtjes tegen haar roze beentjes om een iconisch beeld op te leveren.

Later, in een plantsoen daar niet ver vandaan kijkt een witte kat met één blauw en één geel oog me aan. Voor dat een stare down echt kan beginnen, rijdt aan de overkant een Gold Wing motorfiets – een soort auto op 2 wielen – voorbij, met vrij hard een nummer van Guns 'n Roses. “Ooh, everybody needs some tiiiiiime ....on their oooooown.” “Ooh, don't you know you need some tiiiiiime ....all aloooohone? “ Het geluid verdwijnt te langzaam maar gelukkig een nog nietszeggende donkere steeg in.

Ondertussen in tijden van pandemie

7.

“Ondertussen schieten de Amerikanen voor de zekerheid iedereen dood”, schreef ik zo'n twee maanden terug in het laatste stukje tekst wat ik durfde te delen.

Ondertussen bleek dat ik een paar fans had, buiten mijn moeder dan. Onder andere een vrolijke jongen met een kinky leer pak aan die mij vanuit zijn raamkozijn toezong of hij er de volgende keer in voor zou komen...

Het is inmiddels 1 Juno geweest, een horecaanse feestdag, en het nieuwe normaal is veranderd in een nieuwer normaal.

De hoestenproester hoest door zijn eigen hoest heen en sjokt rokend en dronken als altijd door de hoerenstraat die nog dagelijks bezocht wordt door mannen die verrast zijn dat de dames niet aan het werk zijn.

'Omaaaa! Pas op coronaaa!' roept een joch met stekeltjes die struikelde toen hij tijdens het rennen te veel vertrouwde op een zelfverzonnen zwaartekracht. Oma van een jaar of 45 heeft een kind van nul vast. Ze pakte een plastic bal van de grond met onbekende Disney figuurtjes. 'Houdttochopmetjecorona!' zegt oma. Het jochie schopt wat tegen steentjes en irriteert de oma die daarna geluid maakt in een toonhoogte die hopelijk bedoeld is voor het kind van nul, wat overigens net dood lijkt.

In een voetenverzorgingswinkel zitten een aantal vrouwen op nep leren stoelen achter een transparant plastic gordijn met hun blote voeten bijna in de mondkapjes van de Aziatische voetenverzorgingsvrouwen. Hoe overleefde vrouwen vroeger zonder? Liepen ze de vellen en eelt en overtollig vet er vanzelf af tijdens het verzamelen van besjes en het doen van de afwas?

Het is een hete dinsdag als ik op een relatief rustig stukje strand zit. Verderop smeert een varkentje met behoorlijke borsten bungelend een roodbonte koe haar fluor witte rug in. 'Zwarte levens doen er toe' schreeuwt het ondertussen lichtgevend zwart op Instagram. Alleen de reclames en de foto's van anti-antiracisten zijn er gekleurd.

's Avonds even kijken op het Malieveld. Linker knie in het gras, of toch de rechter. Ongemakkelijk. Vuistje half zacht de lucht in. Ik kijk om me heen. Iedereen doet maar wat omdat hetzelfde doen saamhorig voelt geloof ik. Emoties zijn verborgen achter de maskers. Carnavalesk doe ik mee en bedek mijn gezicht en adem benauwd mijn brilletje klam. Er galmen wat overtuigende stemgeluiden over het terrein maar ik versta er geen reet van. De demonstratie voor gelijkheid voelt afstandelijk en kil, maar op de foto's zag het er wel solidair uit. Of zo. De boeren en de bouwers die hier toen een dagje vrij hadden, dronken gezellig samen bier en die verstond ik ook niet.

Op de televisie worden later de juiste dingen uitgelicht om ons verder te verdelen en af te leiden van wat er eigenlijk aan de hand is, misschien zelfs als onderdeel van een verdien model waarvoor net 600 miljard euro is bijgemaakt. “Wij is een smerig woordje” lees ik in een boek.

In het bos zie ik een liefdesbetuiging vrij fors en pijnlijk diep in een boom gegraveerd. Michael en Angela. Als ik om de boom heen loop, blijkt het één naam, een dubbele: Miguel Angel. Ik voel aan de redelijk perfecte A en kijk op als er iemand langsloopt. Ik ben ineens een mannetje achter een boom. Ik zie het bos niet meer.

Langzaam in tijden van pandemie

6.

Dag 1000...

Een zittend stelletje zegt enthousiast tegen een ander stel wat langsloopt dat ze er wel klaar mee zijn. “Een beetje schuiven met opdrachten en over een tijdje kijken hoe het ervoor staat en dan doorplannen. Ja, ik heb nog wel wat opdrachten lopen, maar dat is het. Dat je niet al je spaargeld er doorheen jaagt. Wel aanspraak op de regeling maar er zijn mensen die het veel meer nodig hebben. Verder moeten we het zien. De zon schijnt. Dat is ook zo. Naar kantoor. De deur uit. De wereld wordt heel klein. Hele dag achter zo’n scherm en dan 's avonds de sociale contacten ook nog. De ouders hebben de oorlog meegemaakt. Eigenwijs. Risico. Ja, jouw moeder. Ja! Die weet wel dat er iets aan de hand is, maar ze wordt vooral steeds bozer. Het is echt iets vanuit de film. Dit is gewoon hoe het is als er oorlog is zei iemand die uit een oorlog kwam. Avondklok... Avondklok? Gelukkig is het lekker weer. Ja dat is ook zo.”

Een vrouw zonder nek met een leer jack en lompe ongeknipte krullen loopt op haar viezige roze Ikea pantoffels door het grind haar grind-kleurige golden retriever uit te laten.

Naast een mooi Aziatisch meisje zit een jongen die me aan kijkt. Hij lijkt zó erg op een jongen die ik ken, dat ik het raar vind dat hij me geen gedag zegt.

Een grijze vrouw zegt tegen haar dochter met dezelfde handtas om haar andere schouder, dat al haar kopieerapparaten in beslag zijn genomen.

Een meisje rent langs met een mondkapje op. Ik neem een foto van haar op het moment dat ze twee marechaussees in een zwart pak met blauwe baret passeert, die eigenlijk te dicht bij elkaar staan. Als ik de foto bekijk, zie ik dat een van de mannen mij aankijkt en ik kijk hem daarna in het echt ook aan. Als hij even later verder loopt, stopt hij even met praten en als hij in slowmotion weer mijn richting op kijkt, verstomt al het andere geluid. Even voel ik me onderdeel van een door de staat onderdrukt volk in een hele andere film. Dan landt er een duif vlak voor me en doet net alsof ik iets te eten voor ‘m heb. Hij heeft een rare kale plek op zijn koppetje. Even voel ik me onderdeel van het dierenrijk. Dan nies ik net niet in mijn elleboog, maar gooi hem toch maar weg.

Het tv-programma over sportevenementen die niet doorgaan, gaat wel door: Het leven van een tafeltennisser is totaal veranderd en ook andere sporters schijnen een leven te hebben.

Bij het ochtendjournaal verteld een voorlees meisje met te veel babyvet in haar gezicht over de tegenvallende cijfers van de luchtvaart deze maand door de crisis, als gevolg van de crisis. Ook steden lopen inkomsten mis door de crisis, als gevolg van de crisis. Het lijkt soms net alsof alles in dezelfde wereld gebeurt. Opeens staan de oogjes tussen de babyvetjes op vrolijk: “Creatievelingen verrassen de wereld met opbeurende video’s”, en ze verwijst naar een heel ander platform.
Nieuws over het einde van een Europa en over de privacy van de mensheid wordt maar even achterwege gelaten.

Ondertussen schieten de Amerikanen voor de zekerheid iedereen dood.

Omstandigheden in tijden van pandemie.

5.

In de supermarkt is het rustig. Door de aanpassingen op de vloer en de science fiction aankleding bij de kassa's, hoor ik niet dat er geen reclamemuziek op staat.

Ik krijg het plastic zakje om de kiwi’s in te doen niet open. Ik wrijf me rot omdat ik m’n vingers niet wil nat likken en denk aan de manier waarop Jan Wolkers het woord spuug zei.

Een slordig bebaarde jongen met vierkante bril en een bibberende computerspelletjespens maakt een verontrustend geluid door zijn neus, zoals elk nasaal geluid nu wel een beetje verontrustend klinkt. Nieuwe pleonasmen. Later zullen we rekening houden met vele mensen die nu smet vrezen of niet zo aanrakerig zijn. Voor wie de knuffelaars ineens net zo vies en ongezond zijn als rokers of vleeseters.

Veel winkels hebben nu een a4tje met een omstandigheden boodschap voor het raam. Eén restaurant is niet gesloten wegens de omstandigheden maar wegens de hygiëne. Een chinees winkeltje met kruiden en voetmassages verkoopt het herstel van corona met een uitroepteken erachter!

Een stel oranje geklede hongerige bezorgers staat met oranje elektrische fietsen in de koude wind in de schaduw van een MacDonalds te wachten op het eten van iemand anders.

Terwijl ik inmiddels vrij soepel een stugge versie van skiën door het landschap van mensen onder de knie heb, zie ik aan de overkant een lilliputter zijn best doen op een vouwfiets. Ik vraag me af of er ook minicorona bestaat. Immers, kindercorona, is, alleen, voor, kinderen.

Terwijl ik thuis pleisters om mijn mislukte kleine tenen doe en bedenk waar ik mijn pompoen plantjes zal gaan planten, merk ik tot mijn verbazing dat ik een liedje van Enrique Iglesias zit te neuriën, waardoor ik mezelf weer eens intens ga zitten haten. Gelukkig schijnt de zon en lach ik mezelf al snel terecht keihard uit.

Een eekhoorn rent over het pad, in een sinusgolf achtervolgd door zijn staart. Het schijnt dat als je die beweging nadoet, je het beest kan lokken. Later in de boom, kijkt hij stiekem om de hoek waardoor ik eerst alleen 2 zachte punt oortjes zie. Zonder staart is het eigenlijk een mislukte hamster. Ik sta wat te sinussen en tegelijk fluister ik mezelf lachend uit. Ik kijk om heen of niemand mij ziet en zie alleen in de verte een blinde man een man in een rolstoel duwen. De eekhoorn kijkt me nog eens aan of ik gek geworden ben en gaat door met hamsteren.

Het is nog net geen donker en al veel te stil op straat. In de kale bomen voor de deur zit een grote groep kauwen bij elkaar. Soms vliegt er zo'n zwarte vlek weg en dan meestal nog een meteen erachteraan. Ik tel de kauwen en als ik klaar ben vergeet ik onmiddellijk het resultaat. 5 minuten later is het iets donkerder en zitten er nog 2.