twien

brokjes wereld

Deze Aan de rand van Duindorp zitten een paar vrouwelijke inboorlingen op plastic stoelen, uren achtereen sigaretten te kauwen en te klagen. Een kind zit met z’n dikke rug naar de omlaaghangende mondhoeken en staart naar de grond.

Een grote vierkante vrouw met een rond hondje dat op zijn reet wordt voort getrokken terwijl ie wil plassen. Ze kijkt me boos aan. Waarom? Het is een stralende dag! Beetje fris maar zon.

Een loodgieter met een punthoofd kijkt me verbaasd aan. Ja, dat snap ik wel.

In de duinen worden foto’s genomen van twee jongens met een schaatspak aan. Eentje knalblauw. Hij doet een blank dansje. Ik neem er een foto van maar ben net te laat. Ze zijn zichzelf al aan het bekijken. Zouden ze Purno de Purno kennen?

Een meisje met een zelfverzekerde tred lacht geforceerd haar eenzaamheid weg. Alleen is ook oké, hoopt ze. Ze loopt rechtdoor richting strand, maar gaat toch linksaf, maar dan toch maar rechtdoor.

Even later duik ik in de intense groene zee. Het is heel koud. Twee graden of zo. Het doet pijn en elke seconde in het water lijkt drie uur. Na 21 uur in het water lijkt het te gaan wennen. Maar dan besef ik dat signalen in mijn hoofd mij iets proberen te vertellen. Dit is níet de bedoeling! Duizenden naalden prikken me het water uit. Even kon ik dat ontkennen. De statische toestand, lock down, avondklokjes, het onvermogen wat er aan vastplakt, het vacuüm, in een keer weg.

Terwijl ik euforisch opdroog in de zon met een laagje zee op me tegen de frisse lucht, ontstaat er weer een nieuwe wereld in mijn hoofd en hij is fantastisch.

Ik moet het even opschrijven. Oh dat is dit natuurlijk. Deze. Zoetsappig weer hoor. Godsamme.

Terug in de duinen op een bankje. Een roodborsttapuit fluit alvast de lente. Oh fijn, nog meer zoetigheid.

Op het bankje naast me hebben twee vrouwen het over een gemiste aanbieding. Ze heeft ook nog met Jennifer gesproken. De bewolking begint weer.

twien

Zien In het bos doe ik tijdens het lopen mijn ogen even dicht. Het lijkt of het geluid van vogels en honden en hondenmensen direct harder wordt. Het ruikt ook meer naar bos.

Ik denk aan een boek wat ik las over een pandemie waar blind zijn besmettelijk was. Uiteindelijk iedereen blind en niks werkte meer normaal. Niemand kon zijn huis nog vinden. Of een wc, alles werd heel snel smerig. En mensen die al blind waren, zagen zo ineens het meest.

Ogen dicht. Tien stappen proberen. Op mullige grond bestemd voor paarden. Elke stap bewuster. Zeven, acht. Toch weer kijken. Best te doen, een rechte weg, maar ik wil niet op m’n plaat gaan.

Toen ik dat boek las, woonde ik in Transvaal. Een lelijk huis wat gesloopt zou worden. In de kelderbox waar ik mijn fiets moest zetten, was het licht kapot. Pik donker. Op de tast en zonder deurknop vond ik uiteindelijk het slot. Ik werd er handiger in. Blind stak ik na een poosje in één keer de sleutel in het slot. Echt blind word je misschien pas nadat je geoefend hebt. Daarvoor kan je gewoon niks zien.

Twaalf ferme stappen nu. De warmte van de zon geven me een indicatie van de bomen door hun schaduw. Stiekem doe ik mijn ogen soms een knipper open, alsof ik met blind zijn mag valsspelen. Nog eens tien. Twaalf. Zeventien stappen in het donker. Vorige zomer op een warme donkere nacht in de Ardennen in een onzichtbaar gat gevallen. Anderhalve meter diep, mijn knie protesteert nog steeds.

Ogen maar weer open. Schel fel licht wordt door stukken kale boom opgevangen en als een schilderijtje in mijn ogen gesmeten. Ik ben een luie schilder. Eén boom vangt het golven van een sloot zodat ie danst. Zien is geweldig.

twien

Saturday night Er was een dorpje waar iedereen dood was geschoten. Er was ook een dood kind aan een paal gehangen. Of dat nog niet genoeg was, lag er ook een dood paard. Er heerste duidelijk een grimmige sfeer. Daarna begon het te regenen. Ergens anders moest een vent zijn arm worden afgezet. Je kon door zijn bovenarm heen kijken. Het zag er verschrikkelijk uit. Later die dag waren er ook nog wat indiaans sprekende vrouwen, die in het donker een vent van zijn paard afschoten. Die vent bleek overigens al beschoten te zijn, maar dat wisten ze niet. De volgende ochtend werd een andere vent wakker in een dorp vol indianen. Hij had poep op zijn ogen. Een indiaan had 'm vertelt dat dat zou helpen tegen slecht zien, maar dat viel tegen. Die ene vent zijn arm was er nu af. Het leek hem niks te kunnen schelen. Toen deed ik een kaakje in de muntthee. Dat deed ik nét iets te lang. De muntthee zat nu vol vlokjes kaakje. Opeens bewoog er wat in mijn ooghoek. Ik schrok er een beetje van. Het bleek mijn eigen voet. Het is me daar een zaterdagavondje wel, zeg.

#avondklok twien

Snellen Net rustig gewandeld, twee uur of zo. Maar nu naar huis snellen. Ik bedenk namelijk ineens dat ik een pannetje nog op het vuur heb. Zou kunnen. Laag vuur. Denk ik. Maar twee uur, shit ik moet op schieten. Ik ben nu vijf minuten van huis en bedenk alle scenario’s. Aangebrand, iets anders voor vanavond bedenken. Hele huis stinkt. Huis in lichterlaaie? Nee, het zal toch niet! Wind tegen en elke stap duurt te lang. Een pak tarwebloem in m'n hand die ik net gekocht heb. Elke stap dat ik dichter bij het mogelijke vuur kom word ik warmer. De wind tegen gaat harder waaien. Ik kijk op mijn telefoon naar niks en begrijp niet waarom. Mijn ogen kijken net iets eerder de hoek om dan ik bij kan benen. Zwaailichten!? Fack! Een mannetje met een fluor pak. Er gaat een sidder door me heen. Maar oh gelukkig, wegwerkzaamheden of zoiets. M’n voordeur is dicht. Ik maak ‘m open en ruik niks. Trap op boven de gangdeur open, ook niks. Alles is kalm. Het pannetje staat naast het pitje. Het pitje is uit. Opgelucht ruik ik aan de chutney. Mango, ui en madame Jeanette; gember, kurkuma, nigella en citroen.

#watheet twien

Curling met de kat van Nelis Negen Op stap met Jannie en Sandra kwam ik in café Kees terecht, waar we hadden afgesproken met Dennis. Daar kwamen we niet vaak. ’s Avond kon je daar nog wel eens een bekende tegenkomen. Er kwamen voornamelijk stamgasten, veel van hen alcoholisten die er de hele dag zaten. Als we met een aantal waren, konden we daar wel de sfeer bepalen. Een van de stamgasten was Nelis Negen. Hem kenden we niet. Hij had een oranje wielrenshirt aan en een dikke bril op. Zijn gele racefiets stond binnen tegenover de bar tegen de muur, wat best onhandig was. Het was die avond redelijk druk. We maakten wat grapjes over zijn naam. De slechtste was denk ik de vraag of hij, als hij zich afgetrokken had, Nelis Acht heette. Hij was het wel gewend, grapjes met cijfers. Hij vond de aandacht wel leuk zo leek het. Hij vertelde dat hij piano speelde en optrad in verschillende kerken. En hij was gek op Frankrijk. Nelis Negen was francofiel. Er werd een groepsfoto gemaakt, waar we op ontdekte dat Nelis Negen zijn hoofd bijzonder scheef hield. Vooral Dennis moest daar erg om lachen. Hij implodeerde zelfs een beetje. Later zouden we elke keer als we hem tegen kwamen een groepsfoto nemen waarop iedereen z'n hoofd scheef hield.

De bar ging dicht. De meeste mensen verdwenen en de eigenaar probeerde te polsen of er bij iemand thuis verder gegaan kon worden. Er waren nog een man of dertien. We namen wat kratjes bier mee en gingen naar Nelis Negen. Nelis Negen woonde om de hoek in de Schroevendraaierstraat. In de gereedschapsbuurt. Een buurt waarvan iedereen dacht dat het bij het centrum hoorde.

Bij Nelis Negen thuis was het snel gezellig. Alle as en sigaretten kwam op de grond of tussen de planten terecht, terwijl hij liever niet wilde dat er gerookt werd. Iemand wilde dat hij piano ging spelen, maar hij ging een plaatje draaien. Ik wilde franse chansons, maar hij koos Fleetwood Mac, wat totaal niet bij de situatie paste. Nelis Negen had zijn handen vol aan zijn gasten. Het begon uit de hand te lopen. Er viel een flesje bier om en er brak een wijnglas, vrijwel op hetzelfde moment. Jannie had de kat van Nelis Negen ontdekt. Ik schreeuwde door de ruimte heen om zijn naam te weten te komen, maar Nelis Negen was bezig met de vocht en scherven op zijn vloer. Ik had de kat van de vloer gepakt, gooide hem een stukje in de lucht en ving ‘m op. Dennis stond me uit te lachen en implodeerde weer. Daar moest Sandra hard om lachen, ze was erbij op de grond gaan liggen. Jannie zei dat we normaal moesten doen. ‘Jongens!’, zei ze best hard, maar niemand luisterde. Ik veegde hem een paar keer heen en weer op het laminaat alsof het een dweil was. Daarna schoof ik ‘m door de gang heen. Aan het einde van de gang stond ie op en liep weer onze richting op alsof er niks gebeurd was. Ik deed het nog een keer en hij kwam weer teruglopen. We begonnen curling te spelen met het beest.

Nelis Negen had dat op een gegeven moment door en zei dat we dat niet mochten doen. Dennis deed het toen nog eens en ik zei dat zijn kat het best leuk vond. Hij betwijfelde dat, maar durfde dat niet te zeggen. Aan de andere kant van de kamer was iemand door een leeg kratje gezakt terwijl hij er naar eigen zeggen niet eens heel hard op sprong. Jannie trok daarna haar broek uit en ging op tafel gaan dansen, zoals ze wel vaker deed als ze wat gedronken had. Dat was geloof ik de druppel voor Nelis Negen. We moesten maar eens gaan.

De volgende dag moest ik met Jannie mee terug naar Nelis Negen. Jannie was haar broek vergeten. Dat gebeurde normaal nooit. We stonden in zijn huiskamer waar het nu donker en stil was en zurig naar gisteren rook. De kat liep langs maar ik durfde hem niet te aaien. ‘Deze broek ?’, vroeg Nelis Negen. ‘Hoezo, hebben nog meer mensen hun broek achter gelaten?’, dacht ik. ‘Ja die’, zei ik voor Jannie, die niks zei en een halve stap achter me stond. ‘willen jullie een wijntje?’, vroeg Nelis Negen. Ik heb nog een mooie Beaujolais. ’Nou,…’, zei ik, ’ik heb gister wel weer even genoeg gedronken geloof ik, maar dank je’. Elk woord wat ik uitsprak bonkte tegen mijn door de drank beurs geworden schedel. ‘Iets anders?’ Hij keek nu Jannie aan. Iets te indringend. Ze keek snel naar waar de kat net liep. ‘Nee joh we gaan’, zei ik, 'dank je, was gezellig gister'. Een paar seconden gebeurde er niks. Een soort vacuüm. Het leek een uur. Ik begon licht te zweten. Pas toen ik met Jannie weer buiten liep, merkte ik dat ik al een paar minuten geen adem had gehaald.

twien

Berenbaard Met zijn rossige uit de kluiten gewassen berenbaard en zijn kleurige wollen trui met te korte mouwen zat hij achter zijn grote computerscherm. Het leek net of hij slecht kon typen, maar hij was achter elkaar heel vaak op de letter x aan het drukken. Misschien dat er ergens een geheim deurtje open zou gaan, zo dagdroomde hij. Zijn gouden armbandje tikte met elke x mee tegen het toetsenbord.

Op zijn werk hadden ze al een tijd geen opdracht gekregen. Zijn collega, die met een geelblonde vastgeplakte scheiding op zijn hoofd aan de andere kant van de ruimte zat, was al een kwartier naar buiten aan het staren. Daar bewoog bijna niks. Er liepen wel twee mensen langs die elkaar niet kenden, maar elkaar wel groetten. Eentje had een maf loopje, een beetje zoals een cowboy.

Een andere collega die ontslagen was, zag er uit alsof hij naar lavendel rook. Hij had ooit geleerd dat je daar voor moest oppassen, maar waarom was hij vergeten. Als collega was hij best oké. Hij rook eigenlijk ook helemaal niet naar lavendel.

Zonder dat hij het door had, stak hij een doorzichtige bic pen met de achterkant in zijn oor en draaide 'm subtiel rond. Nog een kwartiertje en dan mocht hij over een uur naar huis. Nog even de z proberen.

© twien

Cowboys Ik probeer te lopen als een cowboy, zoals een vriend uit Baskenland dat altijd doet. Met o-benen, een beetje nonchalant, maar besluitvaardig. Het ziet er nu denk ik niet uit, vooral in de stad, maar het loopt wel grappig. Opeens rijdt er een colonne tractors met boeren langs. Ze schijnen weer boos, maar dat merk ik niet. Ik neem mijn stadsloopje maar weer aan. Dadelijk denken ze er wat van, al zijn ze vast bezig met wat anders. Soms toeteren ze even bijna tegelijk. De boeren ruiken naar stront dacht ik, maar dat bleek een sloot.

© twien

Schattig 'It's so cute!', zegt het meisje in een koud rokje met een glimlach tegen haar schermpje. De jongen naast haar op het bankje met behoorlijk wat pukkels op zijn wangen, hangt naar haar toe. 'Yeah, yeah', zegt hij. Hij gaat met een hand door zijn volle haardos. Hij is duidelijk ergens anders mee bezig dan de vast wel schattige foto. Die kan hij niet eens goed zien. Het meisje lijkt een beetje op iemand van wie ik heb gehoord dat ze prostituée is geworden. Maar die klonk nasaal. En haar ogen zaten een stuk hoger in haar hoofd.

© twien

Mooi Een vrouw wordt geïnterviewd. Ze straalt iets heel Hollands uit. Ze heeft een bleke huid, vettige nep krulletjes en een rood varkensneusje. Als ze nadenkt, houdt ze soms haar kleine oogjes dicht. Ik ben bang dat ze blijven plakken en ze nooit meer open kunnen. Als ze dat een paar keer doet en ze toch steeds weer open gaan, begin ik haar schattig te vinden. Ze vertelt over de liefde. Ze is zelf al een tijdje gescheiden. Ze ziet de idealen die haar dochter nog heeft en als ze dat vertelt krijgt ze tranen in haar oogjes. Ze is mooi.

© twien

Poedelbeest Een man loopt met een wit poedel-achtig beest aan de lijn door het bos. Het poedelbeest heeft een soort kontgaatjes als ogen. De man heeft zo’n balgooistok en gooit er een tennisbal mee over het natte bebladerde bospad. Poedelbeest wil erachteraan maar wordt teruggetrokken door de man. 'Hier!', zegt de man best hard, ‘zitten!’. Maar ja, poedelbeest was daar al. Hij piept een keer zielig en gaat zitten. Ze lopen samen naar de bal en de man doet de bal in de balgooistok. Weer moet het beest gaan zitten en dat doet hij dus maar. Hij kijkt bedroeft door zijn vochtig geworden kontgaatjes. Hij hangt zijn tong maar even uit zijn bek. Dan komt er een ander beest langs. Poedelbeest lijkt ineens een beetje hoopvol. Het andere beest ruikt aan een rottend stuk boomstronk. Hij heeft twee zwarte puntjes op zijn witte reet, onder zijn permanent omhoogstaande staart. Het lijken net twee oogjes. Verderop roepen negen mensen omstebeurt 'Kaya!' Daarna rent hij de andere kant op. Poedelbeest kijkt maar weer naar de grond. Er loopt een vrouw met een knalgeel regenjack en van die stoffe sloflaarsjes langs. Het vocht is van de grond tot halverwege de laarsjes opgekropen. Het blijkt de vrouw van de poedelbeestman. 'Kom we gaan!', zegt ze dwingend. De man gehoorzaamt en volgt de vrouw zonder iets te zeggen. Hij geeft een ruk aan de lijn en poedelbeest loopt er achteraan zonder iets te zeggen. 'Kom!', zegt de man daarna pas...

© twien