twien

brokjes wereld

Bijzondere vogel 'Kijk! Kramsvogels!' Een groep silhouetten vliegt over. Er zijn veel trekvogels vanochtend in de duinen. Het is uitstekend weer om ze te zien. We zijn met een man of twaalf op vogelexcursie met de Vogelman. Vogelman ziet alle vogels. Hij praat ook over vogels en hoort ze dwars door het geluid van zijn eigen enthousiasme heen. Hij benoemt ze allemaal. Vogelman zag ooit bijna 7000 verschillende soorten vogels in één jaar. Hij is wereldkampioen.

De kramsvogel. Nooit van gehoord. De naam klinkt als een beklemde kraanvogel, maar het is blijkbaar een soort lijster, net als de koperwiek. Mooie beestjes, de tekening op hun borst lijkt net hagelslag.

Tjiftjaf, zwartkop, appelvink, er blijft geen schaduw onbenoemd. Een zwerm spreeuwen. 'Eenentwintig', telt hij er binnen een seconde. Een tikkeltje autisme is een fanatiekeling wel eigen, denk ik per ongeluk hard op. 'De derde van links is een zanglijster'. Ik zie eigenlijk alleen maar bewegende vlekjes in de lucht.

Vogels. Bizarre beesten bedacht ik toen ik eens een kip zijn kop van dichtbij bekeek. Het heeft iets dinosaurus-achtigs. Veel dino's blijken ook eigenlijk veren te hebben gehad.

'Daar aan de horizon, een lepelaar'. Ja, eindelijk. Ik herken wat. Door de verrekijker althans. Een lepel als snavel is toch geweldig! Een beetje zoals een haai met een hamer als snuit. De sporken van de dierenwereld.

Vogelman verandert af en toe zelf in een vogel. Hij maakt geluidjes en lokt ze naar ons toe. Een minuscuul bolletje veren met een goudgeel streepje op zijn kop, piept 'm na. Het goudhaantje. 'Weegt zoveel als een suikerklontje.'

De keep, de kneu, de sijs. Een putter! Ja! Die ken ik van vroeger, toen ik dacht dat ik dat ook leuk vond: alle vogels uit mij hoofd leren. Aalscholver, graspieper, heggenmus.

Vogelman richt zijn telescoop eenvoudig en snel op een havik. Iedereen kan nu even dichtbij in HD kijken. Een soort live David Attenborough experience. Het lijkt net echt.

Een gaai, een kauw, een kraai. Een grote gele kwikstaart. Drie rietganzen vliegen richting het zuiden. 'Die zie je niet vaak. De tweede heeft een gebroken nek'.

'De rosse grutto’s staan bekend om de langste vlucht. Van Alaska naar Nieuw Zeeland zonder pauze. Bij aankomst wegen ze nog maar de helft.' Een recordaantal weetjes passeert de vroege ochtend. Iemand denkt dat er een vogelaarsgrap wordt gemaakt. Niemand lacht.

'Daar een dodaars, met zijn puffige kont', zegt Vogelman. Het beest duikt net onder water voor dat iemand anders hem kan zien. 'Het is een van de vier futen in Nederland' Hij noemt de vier futen, die ik direct weer vergeet. Behalve dan “de fuut”, de grootste van de futen familie. Ondertussen vliegen er een stuk of zestig houtsnippen over en horen we een ijsvogel.

Roodborst, roodborsttapuit, veldleeuwerik, boomleeuwerik. Een wielrenner met een geel pakje determineert zichzelf als geelgors.

Aan het eind, bij de pannenkoekenboerderij zien we hoog en ver een aantal grote zilverreigers vliegen. Ze hebben veel vlees en verplaatsen zich ogenschijnlijk traag, zodat iedereen even rustig kan kijken. Grote zilverreigers ruiken naar pannenkoek.


Vrij naar Robbin Heyker's Vogel Club ervaring met wereldkampioen vogel-spotten Arjan Dwarshuis. Onderdeel van Kifl the Kid Salon, Billytown, Den Haag.

© twien

Dof ochtendgloren Veel te vroeg word ik wakker voor wat ik geslapen heb. Biertjes van gister hebben ruzie met een aantal organen. Het is nog wat donker buiten. Grijs licht. Vaal. Stil. De vogels slapen nog. Een verrekijker met stof erop kijkt me aan. Er ligt een vies handdoekje verfrommelt over een opengeslagen Suske en Wiske. De Sputterende Spuiter geloof ik. Een sportsok. Een tube vet, voor after iets. ‘Ik herken mijzelf hier totaal niet in!’, denk ik hard op. En daar schrik ik van. De wereld komt vochtig koud door het raam het huis binnen. Alles lijkt plakkerig. Unheimisch. Duitse woorden op de vroege ochtend ook nog. Wie ben ik? Waarom? Ik sla deze vragen niet zoals altijd snel over om de orde van de dag te gaan verzinnen, maar verzand als een angsthaas in het doffe ochtendgloren. Nu. Niet echt hoor. Het klinkt wel lekker, dacht ik. Met veel te vadsige zinnen de dag onder woorden brengen voor dat hij echt begonnen is.

© twien

Romantisch Doe je scherm maar even op kaarslichtstand.

Op de achtergrond het verkeer. Als baslijn. Het stemgeluid van het promotiemannetje op de kermis bij de spinning coaster (it spins you around!) er subtiel over heen. Dan gaat het waaien door het bos. De wind doet de zee na in mijn oren. De bladeren applaudisseren.

Dan begint het een beetje te regenen, op weg naar de tandarts. Druppels uit de lucht op mijn scherm weerspiegelen wat ik al lopend schrijf tot iets romantisch. Nou ja romantisch? Ik weet niet zo goed wat dat is. De werkelijkheid wordt vervormd door nattigheid.

Tegelijk een poging tot een gesprek met iemand over Gabriel García Márquez. 'De manier van hoe hij dingen beschrijft is fantastisch. Geniaal. Romantisch. Zoveel fantasie. Lezen!'. Zo zegt ze overtuigend. Ik mocht niks zelf verzinnen toen ik eens een verhaal van hem las. Alles was al ingekleurd.

‘Het was onvermijdelijk: de geur van bittere amandelen deed hem altijd denken aan het lot van gedwarsboomde liefdes‘, zo lees ik later droog en hoopvol de eerste zin van 'Liefde in tijden van cholera'. Ik heb thuis twee exemplaren en heb het boek dus twee keer niet gelezen. Toch eens uitvinden hoe bittere amandelen ruiken. Gerookte zijn mijn lievelings.

Ik kijk omhoog en vang de regen op mijn gezicht zoals mijn eerste vriendinnetje altijd de regen trotseerde. Weggedoken in mijn kraag zag ik de druppels op haar neus. Zo fris en vrolijk keek ze altijd de wereld in. Zo mooi. Romantische regels hoop ik, waar ik snel doorheen lees anders struikel ik. De bomen lachen mij altijd al uit, in hun eigen tijdsbeleving. Het is bijna herfst. Bijna bij de tandarts.

Liefde in tijden van corona, het zullen wat woorden zijn. Aan de rand van het bos word ik afgesneden door een wielrenner met dikke billen in een paarse trainingsbroek.

© twien

Dit is Dit weer Een avontuur van een tekencollectief in de nazomer van tweeduizendtwintig, dat vooraf al teleurgesteld teleurstellend werd genoemd.

We zijn onderweg maar weten niet waar naar toe. Er is geen planning. Nooit echt geweest ook. Het collectief 'Dit is Dit', zo'n tien jaar geleden voor het laatst publiekelijk actief, drinkt en eet af en toe nog wat gezamenlijk. Gezellig. Verder waren er tussendoor een paar babyshowers voor de aanstaande vaders. Bij één babyshower werd een speciaal gemaakte vleesbaby van de bbq-sauna-auto gegeten. Een andere was met een nep navelstreng die gemaakt was met van die doorzichtige loempia vellen en een bloederig uitziend sausje. 'Dit is Dit' is nu vooral een app groep waar ideeën smoren en tergende foto's van oud klasgenoten die op tv zijn worden rond gestuurd. Ook de app groep is niet meer wat het geweest is: een van de knapen besloot zelfs uit de groep te stappen. Hij was het beu.

Ondanks of eigenlijk misschien daardoor zijn we vandaag wel weer een tekencollectief. Of althans dat beweert die jongen, en niemand spreekt hem tegen. In ieder geval gaan we op pad met een tafel en wat tekengerei. De hoofdpersonen van het collectief, vier knapen op middelbare leeftijd, zijn anoniem, maar in het verhaaltje heb ik ze voor de gemakkelijkheid hun eigen naam gegeven. Misschien dat ik dat later nog verander, maar dat zet ik dan hier niet bij, om een fijne verwarring te creëeren.

...

‘Een redelijke accurate omschrijving van de dag’, zo zei een van de knapen later.

We vertrekken uit Rotterdam en besluiten uiteindelijk niet elkaars kleren aan te trekken. Laut rijdt. Laut heeft een Volvo stationwagen en vindt mensen in een Xsara Picasso gewoon minder. Marcel heeft een hoedje op. Daan heeft een lichtgevend geel shirt aan. Het is niet persé om mee te sporten zegt hij, ondanks dat hij basketballer wil worden, net zoals een kleine Chileens Deense jongen die hij kent. Doelloos en wel belanden we veel op doodlopende weggetjes en af en toe op een industrieterrein. Ondertussen bekijken we architectuur en ik attendeer de jongens erop dat er ergens riet te zien is. Daan kijkt op internet of er op de Wollefoppenweg in Oud-Verlaat, waar we rijden, een huisje te koop staat. De sfeer zit er goed in. Bij weer een nietszeggend industrieterrein zegt Daan overtuigend: 'Ooh volgens mij heb ik hier mijn sperma een keer naar toe gebracht'.

Niet veel later zitten we aan de Zevenhuizerplas bij 'De Blokhut' op het terras voor een kopje koffie en een tompoes waar ik een moorkop bedoelde, wat ik eigenlijk niet meer mag zeggen. Ook het woord ijs-chinees mag ik niet meer zeggen van Marcel trouwens. We hebben een gesprek over het verschil tussen moorkoppen en Bossche bollen. Bij het bestellen blijkt dat we alleen een kopje koffie kunnen krijgen. 'Nou daar gaat je tompoes', zegt Marcel wreed.

Daan voelt zich alsof hij achter een heggetje zit, zegt hij, terwijl hij achter een heggetje zit met één voet in een spinnenweb. Hij neemt een mooie foto van een boom en mensen die geen kleren aan hebben.

Verderop is een man met een rubberen lieslaarsbroekpak tot net onder zijn oksels, bezig samen met zijn hele familie een bootje en allerlei vismateriaal op te ruimen. Laut zegt dat het erg gevaarlijk is met zo'n pak aan in een bootje. Als je dan in het water valt zink je namelijk meteen. Dat klinkt als een belachelijke manier om dood te gaan.

Tijdens een korte wandeling langs het meer praat ik met Daan over zijn blote mensen fascinatie en over pedofilie. Bij een ander etablissement eten we eieren met spek en kaas en drinken we bier. Laut drinkt cola maar die is niet te zuipen. Toen we het terras op liepen werd ons door ene Ankie gevraagd of we voor de demonstratiebijeenkomst kwamen. Ik vroeg waar voor of tegen ze wilden demonstreren en toen zei ze dat ze overal tegen demonstreerden. Dat leek ons nogal veel. Ze beweerde nog een aantal dingen die ze niet kan weten en gaf ons een formulier en een flyer opdat wij dat ook zouden moeten beweren. Ze was nog niet boos, zei ze. Verder schijnt Daan mij verschrikkelijk boos te hebben aangekeken maar daar weet ik niks meer van. Als we via de saaiste weg proberen terug te lopen naar de auto, waait Marcels hoedje van zijn bolletje, maar die weet hij met een aardige move weer op te zetten.

We rijden een bijna lege parkeerplaats op met een redelijk afzichtelijke uitzichttoren. Als hij later ter sprake komt noemt Daan het 'de toren'. Er staan alleen 2 knullen naar de goudkleurige velgen van een metallic glimmende blauwe Volkswagen te wijzen. De langste van de twee heeft blonde stekels en een pak Wicky onder zijn arm. Het uitzicht in ‘de toren’ is een beetje teleurstellend. Toch weet Daan er nog een leuk fotootje te nemen van wat vogels zonder hoofd. Marcel zegt dat Roel en Annie er getongd hebben.

We rijden verder door het Zuidhollandse landschap en komen steeds weer terecht in nieuwbouwwijken. We fotograferen er ovaal geschoren heggetjes en overdreven grote vogelhuisjes. Ik wil een fotoserie maken van Lauts neus met een nieuwbouwwijk op de achtergrond. In een nieuwbouwwijk in Zevenhuizen heeft Daan een huis te koop gevonden in de Rentmeesterstuin. Dat is een straatnaam. Opeens loopt er een man met een wit t-shirt met aan de bovenkant de bovenkant van een kostuum met strik geprint. Ik wil er een fotootje van maken en Laut rijdt even terug. Hij vraagt hem naar de Rentmeestersstraat. 'De Rentmeesterstuin bedoel je', zegt de man. 'Een leuke buurman, volgens mij’ zegt Laut later.

Als we door de Rentmeesterstuin rijden, zien we de auto van een kleurrijk maar behoorlijk vegetarisch meisje staan die we alle 4 kennen. Erg toevallig. Hij is vol gekladderd met allemaal tekstjes door vrienden van haar en haar vriendje, ter gelegenheid van een gezellige bijeenkomst van iets speciaals waarschijnlijk. Laut tekent heel groot een hart op haar voorraam met witte onuitwisbare inkt. 'X-jes van Dit is Dit' schrijft hij eronder. We hebben nooit meer iets van haar vernomen.

We rijden nog even langs het aangelegen industrieterrein alvorens onze weg te vervolgen. Als ik een glasverkoopbedrijf zie, zeg ik: 'Als je glas verkoopt zit je in het glas. Dat lijkt me echt pijnlijk' 'Verzin je al die stomme grappen door zelf de hele dag hardop praten?' vraagt Daan, waarin ik hem gelijk moet geven.

In Moerkapelle lijkt het net de jaren tachtig. Ik hoorde laatst van iemand dat iedereen in de jaren tachtig een lui oog had. Marcel ziet een leuk bruggetje. We zien weer een huis wat te koop staat. En een mini leeuw. Marcel ziet een leuk windmolentje. Ook staat er ergens een nep ooievaar in een tuin waarbij het net lijkt of ie een echte baby vast heeft. Dat blijkt niet zo. Moerkapelle laten we verder maar links liggen.

Niet veel later vertelt Daan een mop: 'Wat zegt een kikker die in een ondiepe sloot zit?' ‘Niediep niediep!' Iedereen moet heel hard lachen. We rijden langs een orchideeën kwekerij en opeens verzinnen Daan en Laut originele namen en slogans voor een parenclub: 'Parenclub Orchidee, Ons idee: orgie dee. Everyday orgie day.' Weer moet iedereen hard lachen. Toch rijden we iets te lang doelloos door het landschap. Marcel is een beetje misselijk, wat hij later vast zal ontkennen.

We komen aan in Boskoop. Daar blijkt niet de uitvaart van een bekende van ons te zijn, hoewel we dat op zich niet heel opzienbarend hadden gevonden. Er lopen een paar goedkoop uitziende ganzen over de weg waardoor een behoorlijke verkeersopstopping ontstaat die Boskoop redelijk lijkt te ontwrichten. We doen er boodschappen bij een Poolse supermarkt. We kopen een stuk touw gemaakt van krokant vlees van zo’n anderhalve meter lang; een bakje rolmopsen met oranje kleurstof en wat vreemde alcoholische en non-alcoholische versnaperingen. Verder ook 4 stukken taart met sesam, framboos en pudding, waarvan ik een groot stuk even later buiten in de prullenbak zag liggen. Ook kopen we een zak met zoutjes van een meter lang, die geen enkele smaak bleken te hebben. We stopten de lange zak onder de ruitenwisser van de auto wat een mooi beeld oplevert. Later knutselt Marcel met spuug er de letters van 'Dit is Dit' van, die we op het dashboard leggen en met diverse achtergronden fotograferen. Ook dat levert aardige plaatjes op.

'Waarde is contrast ', zegt Laut. Ik weet niet waarom hij dat zegt. Daan zit op een bankje achter de tafel met de tekening die we met zijn allen aan het maken zijn, hij laat een scheet en schiet in de lach. Teleurgesteld zegt hij nu al teleurgesteld te zijn, terwijl we nog maar net zijn begonnen. Marcel en Laut plakken een stuk van het vleestouw op de tekening. Marcel laat een boer. Iets verderop in het landschap, we zitten aan de rand van een weiland, staat een meisje te kijken naar een stel weidevogels. Er vliegt in de verte een vliegtuig rondjes waar we diverse theorieën over verzinnen en er rijden steeds kleine treinen langs. Er zit nog een stuk rolmops in Daans snor. Als ik dat tegen hem vertel, probeert hij het weg te halen maar dat mislukt eigenlijk. Het meisje staat er nu wel erg lang en blijkt met haar ex aan het bellen. We maken ons bijna een beetje zorgen. Haar kuiten zijn heftig aan het verbranden in de zon, al denken sommigen dat ze aan het plassen is. Ik zou haar kuiten moeten likken zegt Laut tegen mij, maar ik vind dat maar niks. Opeens ontstaat het idee om vuurwerk af te steken. Zowaar heeft Marcel een rotje meegebracht. 'Veertig plussers op een missie', zegt iemand. Na veel bombarie maakt het rotje enigszins een teleurstellende indruk, al werden er wel mooie foto's van gemaakt. Vlak daarna is het moment gekomen dat we besluiten om de tekening in de sloot te gooien. Met redelijk wat overgave werd het deels handgeschepte papier de sloot ingeduwd. Er staat aardig wat riet aan de zijkant van de sloot dus dat is nog best een karwei. Marcel heeft een stuk vlees in het riet gegooid. Langs de oever springen allemaal kikkers op maar daar trapten we niet in. De tekening lag op dat moment alweer te drogen op het gras met veel uitgelopen stukken kleur. Er wordt ook nog een stuk vossenstaart aan toegevoegd. Daarna wordt de tekening netjes opgevouwen. Het opgevouwen pakketje heeft iets weg van een indiaan, maar dat mag ik niet meer zeggen. We fotograferen ook veel en lopen elkaar daarbij behoorlijk in de weg. Op de foto is duidelijk te zien dat Daan een lichtgevend geel shirt aan heeft. Er wordt ook een aantal keer met de auto overheen gereden. Voor de zekerheid wordt er daarna nóg een aantal keer met de auto overheen gereden.

Als we tegen de avond ergens in de buurt van Schipluiden rijden, besluiten we te gaan eten en drinken bij een plaatselijk restaurant. We nemen daar als eerst een borrelplank waarbij helaas geen gehaktballetjes worden geserveerd door omstandigheden. Dat maakte ons niks uit want we wisten sowieso niet wat er op het plankje zou liggen. Als ik een paar warmere kleren aantrek, word ik gemeen uitgelachen door twee van de knapen. Ik vind dat niet zo erg.

We eten gans en biefstuk en de garnituur die erbij hoort en we drinken wijn en we zitten met onze tengels aan posters die toch schilderijen blijken te zijn. Het meisje wat de communicatie doet, legt het een en ander uit maar dat was echt super saai geloof ik. Iets met kunst of zo. Ik weet het niet meer eigenlijk. Daan wil weten waar ze woont.

De dag wordt afgerond met een afzakkertje groene waas in het atelier van Marcel en Daan in Rotterdam. Daar vinden nog een paar serieus te noemen gesprekken plaats die voornamelijk met de wereld der kunsten te maken hebben in de al dan niet gesubsidieerde of opdracht sfeer. Af en toe valt hierbij zelfs een oordeel maar daar luistert niemand naar. Tijdens dat gesprek valt er soms iemand in slaap. Verder wordt er wat gepraat over kunstenaars die we kennen die net integer lijken maar eigenlijk gewoon kutwijven zijn. Laut zegt op een gegeven moment ‘te bedoellerig’, maar ik verstond bloederig.

Ook wordt de tekening uitgevouwen waarbij de conclusie wordt getrokken dat hij er opgevouwen toch beter uit ziet. Als Daan hem weer opvouwt, lukt het hem niet hem even goed op te vouwen. We vinden het een geslaagd werk. Marcel vind het geen werk. Ook wordt de conclusie getrokken, dat de weg er naar toe belangrijker is. 'Baklijstje eromheen en de mensen zouden er met mooie schone kleertjes en baardwax naast staan', oppert Laut nog. Ja. Dat zal best. Het was een mooie dag.

© twien

Vissen vissen? ‘Ik denk dat geen enkele vis het leuk vind om een haakje in zijn bek te krijgen’. Met een vreemdere rollende R dan die van Rutger Bregman antwoordt een jongen met een dubbel gevouwen staartje in zijn haar een aantal deugdzame kinderen aan wie hij straks surfles gaat geven. ‘En zo is het!’ zegt een passerende oma. Ze was even vergeten dat de vissmaak van vissticks van echte vis komt. Of is witvis soms minder?

Vroeger dacht ik dat het oké was om vis te eten omdat ze geen gevoel hebben. Zo zong Nirvana dat. Vissen tonen geen emotie. Want oogleden spreken boekdelen. De zee is niet gemaakt van vissentranen.

Oké...vissen vinden het vast niet relaxt. Haakjes. Maar vissen zijn dol op andere vissen. Om te eten. Net als mensen vissen eten. Maar vissen vissen niet. Ze jagen. Mensen vissen. Vissen zwemmen. Altijd. Vissen zwemmen in hun drinken. Vissen ademen onderwater.
Vissen ademen drinken. Wat? Ik ga sardientjes eten.

© twien

Jeronimo Ik zit op een bankje op een heuvel niet van het uitzicht te genieten: op m'n telefoon ben ik iets aan het lezen over het dierenrijk. Of eigenlijk over taal. Mensen over de hele wereld schijnen, om dieren weg te jagen, in vrijwel elke taal een sis klank te laten horen. Kiessjt of ssjhhs of zoiets. Dat werkt. Vooral bij kippen.

Er landt een klein vliegje met een wespenstreepjesmotief op m'n schermpje. Zou het de gele knotsprietbladwesp zijn? Het kan me geen reet schelen eigenlijk.

Ik tekende vroeger stipjes. Ik bedoel streepjes. Ik bedoel stripjes. In elk plaatje vloog een vlieg. Een dikke strontvlieg. Ogen half open, quasi nonchalant. Bladvulling. Hij vloog er gewoon. Met streepjes erachter om aan te geven hoe zacht hij vloog. Hij heette Jeronimo. Jeronimo de Kankervlieg. Veel te veel naam voor wat ie deed. Had ook nooit echt wat met het verhaal te maken. Net als nu eigenlijk.

Om een beest te lokken schijnt een herhalende klank wel te werken. Poes poes poes. Of poeoehoeoes.

'Dag klein kutvliegje', zeg ik tegen het vliegje op mijn scherm. Het vliegje is met zijn voorpoten zijn snuit aan het wassen. ‘O dag hoor’, zegt het vliegje, ‘ik zit hier even razend snel te wassen althans voor jou is het razend snel ik leef wat korter dus ik moet alles in een korter tijdsbestek doen dus voor mij is dit normale snelheid nou ik ga weer dus doei doei‘. Geen interpunctie niks, weg beest. Volgens mij wil ik geen fabels schrijven, denk ik te laat. Shhit.

© twien

Marter Ik loop weer eens met Lange Wandelaar in het bos bij de duinen. Lange Wandelaar weet veel van de natuur. Dat is leuk. Leerzaam. We eten wat lijsterbesjes. Die blijken behoorlijk bitter. Best goor. Hij vertelt een verhaal over marters. Marters behoren tot de marterachtigen. Net als bunzingen, hermelijnen, dassen, wezels, otters...dat volk. Agressieve roofdieren zijn het. Nog nooit gezien, marters. Lange Wandelaar ook niet. Heel veel in dit bos. ‘Vier’ zegt Lange Wandelaar. Ik begrijp niet wat ie bedoelt. Ik zat even aan de tieten van een actrice te denken. Kijk, een vogel! Vier? Vier is toch niet veel? Best groot, dit bos. Schijnt dat beest dus enorme territoriumdrang te hebben. Het mannetje dan. Vier mannetjes in het hele bos. Maar wel allemaal 4 of 5 vrouwtjes. Dat wel. Machootjes. Verderop ineens gekraak. Een dier!? We stoppen met lopen en ik tuur naar het geluid, richting een boom in de verte. De boom doet verder niks. Tja, boom. Lange wandelaar fluistert: ‘Iets verderop op het pad ligt een vrouw op de grond iets af te vegen terwijl ze aan de telefoon is.’ Wat zegt ie nou? Ik blijf maar naar die boom kijken terwijl er allerlei rare gedachtes door mijn hoofd gaan. Dan kijk ik op het pad en zie inderdaad een fors formaat vrouw op de grond. Als we langs haar lopen en ze inmiddels is opgestaan, zeggen we vriendelijk gedag alsof ze niks aan het afvegen was. Oh niks hoor. Rare vrouw, denk ik gelukkig niet hardop. Om de hoek ziet Lange Wandelaar poep. Poep met besjes erin. We kijken naar de poep en Lange Wandelaar vertelt er wat over. Dan loopt de afvegende vrouw langs. Rare jongens denkt ze niet hardop. De poep bleek later van een marter. De marter blijkt namelijk delen van het jaar veganistisch. We gaan hem nog wel zien. Die ellendeling.

© twien

Halskokken (10 april en 23 juli) Zo'n grote zilvermeeuw landt op de stoep met een fiks stuk brood met pizza kleurtjes in z'n bek. Meteen wordt het beest belaagd door een andere meeuw en twee kauwen. Ze zijn er als de kippen bij. Mauwende kokmeeuw. Kauwen kabaal. Dan schrokt ie het stuk in een keer op. Snavel in de lucht. Een vloeiende beweging kun je het niet noemen. Veel heeft te maken met zwaartekracht. En een flexibele strot. Een soort kokhalzen, maar dan andersom. Halskokken.

Het doet me denken aan een ritueel wat een paar vrienden tijdens de borrel met stukken Franse kaas vaak doen: Nog net niet met je duim de keel door duwen en al reikhalzend uitzien naar het volgende. Met grote stukken taart kunnen ze het ook trouwens. Hop, weg! Zakken chips. De klauw constant in de zak. Zoveel mogelijk in de al volle snavel douwen. Secondewerk. Soms zie je nog even een silhouet bij de hals wegglijden. Als je even niet oplet, lijkt het nooit bestaan te hebben. Tanden zijn overschat. Een bord spaghetti is eigenlijk gewoon drinken. 'All you can fijnproeven' is een sport.

Nog even kijken de andere vogels toe of de zilvermeeuw niet ontploft. Dan zou iedereen eten. Maar dan vliegen ze allemaal in één keer zwijgend weg, richting de Maccy D. Fast food gaat over leven.

© twien

Dikke zinnen in een park Twee scholeksters steken hun vuurrode snavels sneller op en neer in het gras dan mijn ogen kunnen bijhouden.

Een vet zwangere vrouw houdt een vies wit lapje met een patroon met heel vaak hetzelfde parasolletje schuin boven haar borsten, waarmee ze een andere, meer vlees geworden baby beschermt tegen de zon.

“San Francisco jives” zegt een verbaasd kijkend lang joch met te veel baard in zijn keel voor zijn blanke tienerhoofd opschepperig tegen het in iets anders geïnteresseerde meisje.

Voetballende kinderen proberen meer kabaal te maken dan een houtzaagmachine met benzinemotor aan de andere kant van het park en verderop staat iemand met een machinegeweer wat landverraders neer te schieten.

Even een zoetsappig wandelingetje in het park dacht ik. ‘Heb ik weer’, zeggen sommigen dan, omdat altijd alles wat hen overkomt precies hen overkomt.

Ik loop een andere kant op, maar stuit daar op een voormalig Joegoslaaf die tegen iemand aan de telefoon schreeuwt dat alles goed gaat en dat hij blij is met zijn werk als bladblazerblazer. Of hoe noem je iemand die met een bladblazer staat te blazen. Daarna blaast hij een jaargetijde te vroeg alle bosgeluiden het verhaaltje uit. Na zijn werk kan de ex slaaf genieten van zijn wel verdiende rust. Dan maakt hij misschien een ommetje in een park waar iemand anders herrie staat te blazen.

Voor een wit-bruine langharige natte hond die vast niks doet hoor, wordt een tak in het water gesmeten die door de derde hond, een grotere bruine pezige, achterna wordt gezwommen en opgehaald met af en toe een snurk. De wit-bruine langharige natte hond reageert: 'WOE!, WOE!, WOE!, WOE!, WOE!, WOE!, WOE!, WOE!, WOE!'. Als de derde hond terug is herhaalt dit tafereel zich te vaak om op te schrijven. Een keer was eigenlijk al te veel.

Twee oudere mensen gaan op een bankje naast me videochatten met Maxime. Maxime is hun kleinkind. Maxime somt wat onbelangrijke dingen op, waarop oma zegt dat hij verwend is. ‘Het is bijna vakantie', 'nog anderhalve dag', 'wat leuk', 'dan kan je genieten van je vakantie.’ Het kind kauwt hoorbaar op wat zoets en brabbelt nog wat door. Opa zit er stoïcijns bij met een kaki broekspijp over de andere, waardoor zijn geruite sokken in zijn bootschoenen goed te zien zijn. De sokken zijn in veel te veel kleuren: bordeaux rood, Pruisisch blauw, mosterdgeel, mosgroen, turquoise en t-mobile roze. 'Nou je mag wel trots zijn op Maxime', zegt oma tegen mama die ook nog even mee chat. Maxime heeft blijkbaar ergens een goeie score mee gehaald en iedereen is overdreven blij. Behalve opa dan. 'Van sperzieboontjes kan je nóg beter leren lezen', liegt oma even later. Het dient als geruststelling nadat bekend is geworden dat er vanavond toch maar geen pannenkoeken worden gegeten. Er wordt nog wel wat herhaald maar dan is het genoeg. 'We gaan hangen'. 'Tot straks', zegt opa nog, maar dat hoort niemand.

Eindelijk is het even stil. Een nijlgans houdt zijn koppetje met rouwranden rond zijn ogen schuin in een hoek van 45 graden en kijkt zo in één keer naar het gras én naar de lucht. Piloten zouden eigenlijk ook ogen aan de zijkant van hun hoofd moeten hebben.

Er komt een ander oud stel waarvan de vent zijn nog oudere, bijna vloeibaar geworden moeder naast me op het bankje wil zetten, waardoor hij mij eigenlijk wegjaagt vanwege 'de anderhalve meter'. Hij had er zelf anders naast moeten gaan staan. 'Ik willu nie verjage', zegt ie nog. 'Is goed hoor', zeg ik, ik schrijf het wel op.

Ik neem nog een foto van een dikke mammoet die op een boom lijkt. Daarna fiets ik zoetsappig naar huis.

© twien

Een doordeweekse zaterdagavond Het is een doordeweekse zaterdagavond en ik wil nog wat actie. In een loods in de buurt zijn mensen gezellig keta aan het gebruiken en op Beyoncé aan het dansen, net als gister en vorige week, dus ik kies voor Cheers. Daar schijnt Woody achter de bar te staan, maar als ik aankom, is hij al weg en verder kent niemand daar mijn naam.

Ik besluit verder door de lauwe regen en de wind door de stad te lopen. Best relaxt. Alleen mijn jas glijdt steeds van mijn linker schouder. Frappant. Laatst merkte ik dat ook met een rugzak die ik daarom bijna heb weggegooid. Zou ik afwijkende schouders hebben? Merk ik dat nu pas? Ik ben godverdomme over de 40 en merk nu pas dat ik ongelijke schouders heb? Of is dat misschien iets nieuws? Ouderdomskwalen merk ik alleen nog maar nuchter.

“Where i am from?” antwoord een langzaam meisje met een Frans accent in de buurt van een aantal café's aan een jongen, die dat eigenlijk niet echt wil weten: “I live in Chartres”. Ze spreekt de stad charmant en voor de helft uit, zoals dat hoort in correct Frans. Het klonk iets tè correct eigenlijk. Een paar stappen verder ligt een oker plakaatje nostalgie net niet vloeibaar op de straat, die iemand een abrupt einde van de stapavond heeft bezorgd en toen wist ik het: het Franse meisje sprak eigenlijk alsof ze nog nooit goed had gekotst.

Buiten de bioscoop die op een parkeergarage lijkt, zie ik een trap waarop een filmpje is te zien die blijft hangen op een afbeelding van een dolfijnig beest. De halve straat is er blauw van. Op de tweede tree van boven zijn twee bierflesjes gezellig geweest maar nu net zo nuchter als ik.

Een jongen met een tatoeage van een handgeschreven naam van een onleesbare dochter in zijn nek, loopt naast een mooi meisje met verzorgde vlechtjes. Sommige zijn blauw, andere zijn wit. De meeste zijn zwart. Zij is bruin. De jongen, een beetje flets blauw van kleur, zegt: “Sommige mensen zeggen blank enzo, maar daar houd ik niet van.” Hij maakt er een onbestemd gebaar bij met zijn hand waarin hij een sigaret vastheeft die niet brand. “Ooooh”, zegt het meisje zonder een duidelijke emotie. Een lange stilte volgt. Het fastfood bedrijf met kip waar ze langslopen is dicht en de corona dranghekken ervoor met reclame erop met woorden die zijn omgevallen interesseren niemand.

De hoerenstraat waar ik naast woon is nog vrij levendig als ik thuis kom. Ook Johan staat er weer. Johan is een oudere junk, die daar al jaren staat, hij wordt daar nooit weggestuurd namelijk, maar sinds de corona heb ik ‘m nog niet gezien. Vaak neuriet hij een vriendelijk deuntje als hij uren lang onder mijn raam ijsbeert, waar een vriendin van mij stapel gek van werd. “Kan je ief miffe?”, is zijn standaard bedeltekst. Ik gaf hem een keertje een stuk stokbrood, maar daar kon hij niks mee want hij heeft geen tanden. Een banaan geef ik ‘m soms. Of een flesje water. En een paar keer een blik soep. Nu staart hij dwars door me heen en hangt zijn tong half uit zijn mond.

Vlak voor ik binnen ben, fotografeer ik de uitpuilende prullenbak, waarom weet ik niet. Ernaast en erin ligt het vol met frisdrank flesjes, blikjes vloeibare kauwgum en een plastic bakje met whiskysaus zonder lekkerbek. Erbovenop ligt een grote witte handtas met nep goud decoraties en simulaties van een vast wel beroemd merk.

Als ik al binnen sta, komt een grote jongen die ik net muntgeld zag tellen naar me toe en vraagt vrij luid om een euro. “Meneer heeft u een euro voor brood?!”. Hij knikt in de richting van een gesloten winkel die geen brood verkoopt. “Nee, sorry heb ik niet”, zeg ik. “Een euro, een euro!”, zegt ie. “Heb ik niet, heb ik niet”, zeg ik terwijl ik hem aan kijk met zo veel mogelijk vraagtekens boven mijn wenkbrauwen en doe de deur dicht.

Ik kijk nog even in de spiegel. Doorzichtige wenkbrauwen. Gelijke schouders.

© twien