twien

brokjes wereld

Even snel Er loopt iemand vlak voor me, vrijwel net zo snel als ik. Ik haal haar in, maar als ik naast haar loop, lopen we precies gelijk. Even heb ik de neiging te vragen of ze het oké vindt. Hetzelfde tempo lopen is anders dan een bankje delen in het park. Dus zonder dat ik haast heb, versnel ik mijn pas. Zij blijft haar eigen snelheid lopen. Raar als ze ook sneller zou gaan. Dat we weer even snel lopen. En dat ze dan de liefde van m’n leven blijkt. Ik kijk nog achterom als ze net hetzelfde doet.

twien

Vandaag is het zomer Op het warme strand aangespoeld nadat de frisse zee me van de diepe nacht heeft verlost. Voor de derde keer word ik wakker na een minuut. Of na een uur, kan ook. Nu in mijn eigen kwijl. Ik eet een lauwe appel.

Waar vorig jaar een rustige gele strandtent stond, doet nu een witte tent zijn gemiddelde buur na. Het is druk, de muziek hard en matig. Iedereen kan er even vergeten dat de natuur hier dichtbij is.

Een blauwwitte parasol stuitert met een noodvaart langs. Mensen verderop vangen ‘m met de punt naar boven. Een grote vrouw met bloemetjesjurk draagt een kind waartegen ze klaagt dat ze helemaal onder het zand zit.

Er zit een dikke man goed vast in z’n strandstoel. Hij zit hier altijd met lekker weer. Z’n buik nu nog roze, maar je kan zien waar z’n hemdje zat. Altijd veel blikjes bier drinken en sigaretjes roken en harde jaren negentig muziek.

Een natte Golden Retriever zet een poot op mijn kuit en maakt me weer wakker. Z’n twee baasjes met strakke zwembroekjes lopen langs met cocktailglazen water met komkommer en zeggen zwierig ‘nee Barry, de volgende’, en ‘sorry’ tegen mij. Geeft niks. Vandaag is het zomer.

twien

Alles was stil behalve de zon door de bladeren Ze stond stil naast haar donkere labrador, haar gezicht fijn belicht tussen schaduwen van golvende bladerdekken. Van een afstand wilde ik een foto nemen, maar het voelde ongemakkelijk. ‘We moeten terug!’, zei ze boos tegen de hond. Toen zag ik de witte stok met rode strepen in haar handen. Ze klapte ‘m snel uit en toen toch weer in. Ik bleef staan. Misschien moest ik helpen. Alles was stil behalve de zon door de bladeren. Ik keek naar hen en de hond keek naar mij. Een onderdeel van zijn taak, of juist even niet. Toen liepen we verder.

twien

Vrijheid vieren Uiteenlopende muzieksoorten en vlezige frituurgeuren lokken drommen blanke mensen. Boven de hekken van het vrijheidsfestival is een tentenkamp te zien.

Overal een jaren 90 logo met een fakkel. In de vlam staat een puntje waardoor je je vrij kan voelen een vredesduif te zien branden. Naast een podium staat het logo van de fakkel te branden als een fakkel.

De fakkel is volgens het comité 4-5 mei een “opspeldbaar symbool van vrijheid”, zo lees ik op een marketingsite. Een andere relatie van vrijheid met vuur of fakkels vind ik niet.

‘We staan stil bij de vrijheid’, zegt een luide stem vanaf een podium. Ze vraagt of de mensen er zin in hebben en, aan een artiest, wat vrijheid voor hem betekent. ‘Dat we hier samen……zijn?’ ‘Ja dat is toch gewéldig’, reageert ze.

Er zijn dwingende citaten te lezen: vrijheid spreek je af en vrijheid moet je koesteren. Er is een vip deck voor sponsoren en vlaggen met het logo van een bank die het vieren van vrijheid een traditioneel tintje geven. Vrede is mede mogelijk gemaakt door Canadezen, het vieren ervan door bankiers.

‘Houden jullie van motorfietsen?’, vraagt een zanger tussen liedjes door. Het publiek geeft geen antwoord. ‘Dat geeft ook een soort vrijheid’, zegt hij, ‘gewoon erop zitten en rijen maarrr.’ Het geluid van het bandje waait vervolgens het veld over met een vrolijk bedoelde saxofoonsolo.

twien

Tiger Het is druk in het centrum. Ik loop langs een groepje vrouwen. Een herken ik geloof ik, of ik vind haar mooi. Ze kijkt me aan. Ze zegt ‘hé, tiger’. Ik zeg op m’n zwoelst ‘haay’. Geniepig glimlach ik, mijn ogen half dicht. Een wenkbrauw omhoog, al zijn die bij mij doorzichtig. Ik doe alsof ik een dikke scheiding heb die in slowmotion met me mee danst. Ik schrik van mezelf. Maar ze ziet me niet. Ze kijkt langs me naar een spulletjeswinkel die Tiger heet. Ik verdwijn in de mensenmassa met een apenstaartje tussen mijn benen.

twien

Lucie Lucie komt enthousiast thuis van turnen. Ze mocht alleen terugfietsen. ‘Er is turnkamp deze zomer!’ Een wit a4 lijkt best groot in haar handen. ‘Oh. Wanneer?’ Haar vader kijkt op van z’n krant. Lucie leest de datum op. ‘Ah, die maand zijn we op vakantie.’ Teleurgesteld scheurt ze een reepje van het papier. ‘Niet scheuren!’ Ze stampvoet. ‘Toch niet de hele maand!?’ Ze scheurt nog een stuk. ‘Niet doen!’ Gister mocht ze ook al geen dropveters op haar pizza. Hij leest de krant alweer. Zij kijkt naar haar fiets in de tuin en vanuit haar ooghoek naar haar vader.

Machtige pens Een warme windstille lentedag in het park. Een man met een machtige pens loopt tegen de lage zon in, zijn hand boven zijn ogen. Naast zijn vrouw lijkt hij iets harder over het pad te lopen, maar hij neemt gewoon kleinere stapjes. Als ik goed kijk, zie ik dat het danst, die machtige pens. Consequent van links naar rechts in een mintgroene sweater, boven een vaal groene broek die hij zelf niet kan zien. Ritmisch op een melodie waar één woord wordt herhaald. Een woord dat de man net niet hardop zegt. Geld, geld, geld, geld, geld, geld, geld…

twien

Klap van een Belg Ik kreeg een klap van een Belg met veel vet in z’n gezicht. Hij wachtte me op met wat maten. Even daarvoor bij de pisbakkenstraat was ik jolig tussen hen in gaan staan. Hollands stadsjoch op hun festival met hamburgers, bier en Beck en David Bowie.

In het publiek herkende ik ‘m later dwars door m’n dichtgeslagen oog. Ik smeet z’n dierbare petje tientallen meters mensenmassa verder. Die was ie kwijt. M’n blauwe oog leek net cool en overovermorgen weg.

We praten nog na in Nederlands wat alleen hij verstond. Maar we begrepen elkaar, samen luisterend naar Zita Swoon.

twien

Dierennamen Gister zei iemand dat er dieren zijn die elkaar een naam geven. Dolfijnen en stokstaartjes.

Dat er dan een stokstaartje is die door zijn maatjes Dave genoemd wordt. ‘Hé Dave je bent aan de beurt om patat te halen!’

In het bos maakt een klein vogeltje het geluid van iets hards met kartels. Misschien is dat een bijnaam. Zouden alle kauwen Ka heten?

Om de hoek bij een vriend met een hond die Oscar heet, woont een vriendin die een vriendje heeft die Oscar heet. Ik heb Oscar ooit zijn eigen kots op zien eten. De hond.

Zou wat zijn als je toevallig dezelfde naam hebt als je hond. Loop je in het bos je eigen naam te scanderen.

Ik kende vroeger een sadistisch joch die heette Peter Konijn. En ik ken de familie Mol. Maar dat zijn allemaal mensen.

‘Als dieren gaan mensen of andersom, zijn ze vaak grappig’, zei de vos en hij liet een wind.

twien

De achterkant van een supermarkt Een van m’n favoriete citaten op quotebook.nl is van Annet: Almere, waar elk gebouw lijkt op de achterkant van een supermarkt.

Veel landschap lijkt inmiddels op de achterkant van een supermarkt. Hele buitenwijken gemaakt van karig kunststof op een bedje van parkeergelegenheid. In weilanden staan distributiedozen waarvan de achterkant de voorkant is.

In de stad zijn er nu veel flitsbezorgbedrijven. Flitsen schichten met vierkante ruggetjes op fietsige brommers de stad van hun sokken. Soms monumentale panden in het centrum worden door die bedrijven bezet en afgeplakt, een gecensureerde façade. Op straat struikelen mensen over hun luidruchtige distributiekanalen.

De voorkant van de stad wordt zo de achterkant. Maar binnen tien minuten prei in huis.

‘Supermarkten voldoen niet meer aan de behoeften van de mensen’, zegt een eigenaar. De behoefte van mensen die in de stad wonen lijkt me toch vooral het wonen in een stad.

twien